Annet, Eline en Jeannette (foto van Annet en Eline)
Wat vooraf ging
U gaat niet veel begrijpen van het volgende verhaal, en u afvragen wat ik überhaupt op Curaçao deed, als ik niet een afdoende uitleg geef. Dus bij voorbaat excuses voor de saaie inleiding, maar dat is nou eenmaal nodig.
Tijdens dezelfde tijd zullen twee vriendinnen van mij, Annet en Eline, die bezig zijn samen enkele maanden door Zuid-Amerika te trekken, toevallig in de buurt (Venezuela) zijn. Dus is al gauw het plan opgevat dat zij ook een paar dagen daar langskomen.
Temperatuurschok
Henk, Gerard en ik nemen op woensdag 16 februari een vlucht van de Portugese luchtlijn TAP met een tussenstop van een nacht in Lissabon. Die avond in Lissabon gaan we de stad in op zoek naar mooie fado.
Een tropisch paradijs
Curaçao is een koraaleiland vlak voor de kust van Venezuela. De hoofdstad Willemstad is gebouwd aan de monding van een grote baai, het Schottegat. Een beweegbare pontonbrug over de baaimond verbindt de twee delen van de stad: 'Punda' (de rijke buurt, dus zeg gerust "poen daar") en Otrobanda ("de andere kant", spreekt voor zich). Die scheiding tussen rijk en arm was ongetwijfeld meer van betekenis tijdens de koloniale overheersing, maar is nog niet helemaal verdwenen. Het centrum van de stad bevat veel typisch Nederlandse trapgevels. Hollandse nostalgie in een tropische setting. Er zijn ook bruine café's, maar in tegenstelling tot thuis, waar deze warmte bieden als toevlucht uit de regen en wind, zijn ze geairconditiond, als toevlucht uit de zinderende hitte buiten. Dat doet mijn inziens wat af aan de sfeer, maar zij kunnen er ook niets aan doen dat het niet regent.
Wie mij kent, weet dat ik al lang een zwak heb voor de Latijns-Amerikaanse cultuur. Dit begon bij mijn stage anno 1987 in Mexico. Sinds die tijd heb ik mij altijd actief bezig gehouden met vooral de verschillende Latijns-Amerikaanse muzieksoorten (want ja, dat ik muziek-gek ben weten zelfs mensen die mij niet kennen). In 1991 heb ik een reis gemaakt door Venezuela. Ik wist niet veel van het specifieke land, alleen de muziek, en die vond ik mooi. Ik boekte een vlucht en liet alles verder aan het lot over. Het werd een prachtige reis van drie weken, waar ik ook nog heb geleerd cuatro te spelen, en zo'n instrument heb gekocht.
In de eerste helft van de negentiger jaren ben ik actief in allerlei Latijns-Amerikaanse muziek-ensembles, o.a. een Mexicaanse mariachi, een salsa-achtige band en een gitaartrio. Het is het begin van mijn professionele leven als radiocommunicatiewetenschapper, en ik doe verwoede pogingen dit te combineren met een professioneel muziekleven. Het is vermoeiend, maar niet onsuccesvol.
Zoals u wel zult verwachten bestaan de verschillende ensembles uit gedeeltelijk dezelfde leden. Alle van de genoemde groepen zijn zelfs opgericht door dezelfde persoon: Henk. Deze Antilliaan is zelfs nog gedrevener dan ik door enthousiasme over de Latijns-Amerikaanse muziek, en uiteraard heeft hij in mij een enhousiaste compagnon gevonden en hebben we samen heel wat avonden musicerend of gewoon drinkend doorgebracht. Hij heeft mij alleen nooit kunnen overhalen mijn toekomst als radiowetenschapper op te geven en mij full-time op de muziek te storten.
Maar ik kan mij wel vinden in het idee om in februari 1994 met z'n drieën twee weken naar Curaçao te gaan: hij, de bassist Gerard van het gitaartrio, en ik. We zouden bij Henks ouders verblijven, en behalve relaxen ons vermaken met muzikale activiteiten.
Curaçao had ik ook al eens gezien, en eerlijk gezegd was ik er niet erg van onder de indruk. Maar het is een Caribisch eiland, waar die typische sfeer heerst van 'maar je niet druk en geniet van het leven', wat toch een prima vakantieomgeving schept.
En alsof dat nog niet genoeg is, hebben zij ook nog een vriendin van hen overgehaald om óók even langs te komen: Jeannette, die toevallig mijn ex is, en nu in Canada woont. Omdat haar huisje in Montreal in deze extreme winter kapot aan het vriezen is en alleen nog door het ijs aan elkaar gehouden wordt, geeft zij graag gehoor aan de oproep even naar een tropisch eiland te komen.
Een geweldige reünie in de Caribische Zee. Het ultieme feest.
Op aanwijzingen van de hotelreceptionist vinden we een prachtig concert in een klein restaurantje. De gitaristen zitten zowat bij ons aan tafel. De zangeres staat tussen ze in en zingt vol overgave de Portugese blues. We verstaan er niet veel van -behalve hier en daar een woord, want we spreken natuurlijk wel Spaans-, maar het gevoel gaat direct door je heen. Prachtig.
De volgende ochtend sjouwen we door de chaotische stad, waarvan ik de indruk krijg dat men hem in zijn geheel aan het verherverbouwen is, terug naar de bus en naar het vliegveld, en nemen de vlucht naar Curaçao.
Als we 17 februari 's middags lokale tijd aankomen, wachten Annet, Eline en Jeannette ons al op bij het vliegveld. Een innig weerzien met Annet en Eline, maar van Jeannette weet ik nooit of ze mij überhaupt wil zien. Ze is daar immers niet in de eerste plaats voor mij. En tenslotte heeft ze mij vijf jaar geleden gedumpt door naar Mexico te verhuizen, waar ik nog steeds niet helemaal overheen ben.
"Krijg ik geen hug?" vraagt ze me.
OK, dat staat dus wel op het programma. Neem me niet kwalijk dat ik dat niet wist, want zelfs toen we een relatie hadden, mocht ik je niet omhelzen wanneer ik daar zin in had. Een vriendschappelijk weerzien blijkt dus toch wel mogelijk.
We gaan met z'n allen naar de hoofdstad Willemstad, waar op een terrasje wordt bijgepraat. Henk, Gerard en ik moeten even aan de temperatuur wennen. Het was in Nederland -10°, in Portugal +10° en hier 30°. Een stapsgewijze overgang, maar geen geringe. Daarbij staan we een beetje te wankelen van de jetlag. Jeannette daarentegen, die ook pas net is aangekomen, vertelt me dat ze geen jetlag heeft, maar wel een temperatuurschok: van -20° in één keer naar +30°; dat moet je lichaam wel even verwerken. Annet en Eline op hun beurt zijn hier al langer, en hebben mooie verhalen over hun ervaringen in Venezuela: in de uitloper van de Andes bij Merida, en in de Orinoco- delta.
Hierna gaan Henk, Gerard en ik acclimatiseren bij Henks ouders. De drie dames overnachten ergens anders, maar we zullen ze nog zien.
De charme houdt echter buiten het stadscentrum op. De hele rest van het eiland is bezaaid met Amerikaanse-stijl suburbian woonwijken. Kun je in het centrum wandelen langs de marktstalletjes en de cafétjes, en banjeren langs het strand en de boulevard, daarbuiten rijdt iedereen per auto rond, want de afstanden tot winkels en wat je verder wilt of moet doen zijn te groot om te lopen, geheel naar Amerikaans model.
Nu, iedereen die mij kent, weet ook van mij aversie tegen auto's. Maar ik wil het nu even niet hebben over de vervuiling en het gevaar dat ze veroorzaken, dat ze statussysmbolen zijn en dat ze mensen lui en dik maken. Het gaat er mij nu alleen om dat het rondrijden in auto's elke spontaniteit uit het verkeer weghaalt. In een auto rijd je van A naar B, en daartussen heb je geen contact met de wereld om je heen. Lopend of fietsend zie je andere mensen, je kunt overal stoppen, een praatje maken, en als je een bekende tegenkomt kun je besluiten even samen ergens anders heen te gaan. In de auto: niets van dit alles. De medeweggebruikers zijn geen mensen meer, maar alleen maar nog meer van die blikken dozen, die je maar hebt te tolereren, maar eigenlijk zitten ze je in de weg. Het menselijke contact beperkt zich tot, wanneer je een bekende tegenkomt, een groetende hand vanachter het geharde glas. Een momentaan rudimentair menselijk gebaar, dat diegenen die het zich kunnen herinneren, met weemoed doet terugdenken aan de tijd dat er nog menselijk contact was.
Een vraag die onmiddellijk opkomt als je al die Nederlandsheid, met trapgevels en bruine café's, geimporteerd ziet zijn, is: 'Waar is de fiets gebleven?' In Nederland is de fiets een integraal onderdeel van de manier van leven, maar iedereen is het er wel over eens dat het daarbij prettig zou zijn als het wat minder zou regenen. Nu hebben we een stukje Nederland op een Caribisch eiland waar altijd de zon schijnt, dus je zou zeggen: ideaal om te fietsen! Nee. Afgezien van de allerarmste enkeling, fietst er hier niemand. Wie geld heeft, koopt een auto, en wie dat minder heeft, koopt een oude aftandse roestbak.
Nu mogen we wel bedenken dat Nederlanders juist als het mooi weer is massaal op de fiets springen, maar dat is dan om te genieten van elke minuut zonneschijn die we kunnen krijgen. Hier, waar mooi weer geen schaars goed is, voelt men wellicht eerder de behoefte om in een geairconditionde auto te stappen om eens af te komen van die eeuwige hitte. Maar het blijft voor mij, fietsfanaat, een teleurstelling.
Henk en Gerard voelen zich prima bij deze Amerikaanse levensstijl. Ze rijden vrolijk rond van winkel naar winkel, als voornaamste tijdbesteding op deze vakantie. Omdat ik niets beters te doen heb, en omdat het plan was dat we samen dingen zouden ondernemen, rijd ik met ze mee. Maar als passagier, wanneer je zelf weinig kunt bepalen waar je heen gaat, is de spontaniteit zo mogelijk nóg verder te zoeken.
Ik verkeerde in de veronderstelling dat ik met hen een zodanige vriendschapsband heb dat ik mijn mening kan zeggen over bepaalde zaken (misschien ook wel iets typisch Nederlands). Op zeker moment breng ik het dan ook ter sprake, dat ik het jammer vind dat hier niet wordt gefietst, en dat al dit ge-autorijd erg Amerikaans aandoet, en de spontaniteit wegneemt, om de bovenstaande redenen. Henk heeft echter weinig begrip voor mijn mening. Dit is zíjn eiland, zíjn cultuur, en zo leeft men hier. En ik moet niet denken dat ik het beter weet.
Op een avond gaan we naar een feest, waar het volgens Henk en Gerard dé gelegenheid is vrouwen te versieren. Een orkest steelt non-stop meringues, en een groot aantal mensen is aan het dansen op de geïmproviseerde dansvloer op het open terrein, in het licht van de schijnwerpers in de pikzwarte tropenavond. Antilliaanse mannen, het haar strak in het vet en zijzelf strak in de kleren volgens de laatste mode, zijn bezig vrouwen, sexy gekleed en alle persoonlijkheid verscholen achter de make-up, ten dans te vragen, om een kans te krijgen ze aan te raken. Want de meringue dans je tegen elkaar aan.
Annet, Eline en Jeannette zijn ook gekomen. De Antillianen zijn meteen onder de indruk van al die blonde schoonheid, iets dat ze normaal hier niet veel zien. Maar ze hebben weinig succes met het ten dans vragen bij de Hollandse meiden, die dit nou niet dé manier vinden om een aardige kerel te leren kennen. De Antillianen bestempelen dat als 'stijfheid van die koudbloedige hollanders' en druipen weer af.
Op aanraden van al ons gezelschap waag ik me aan een dans met Jeannette. Dit was met name op aandringen van Annet, die ons bijna tien jaar geleden bij elkaar heeft zien komen, en die de laatste jaren altijd zegt: "Ik kan me gewoon niet voorstellen dat jullie niet bij elkaar kunnen zijn!" Hoewel er niet veel hoop op is dat ik Jeannette op deze manier terugkrijg, vraag ik haar ten dans, en ze stemt wonder boven wonder toe.
Maar wat een saaie dans is die meringue! Goed, ik ken dan alleen de basispassen en een simpele draai, maar hoe dan ook, dat eindeloze eentonige heupwiegen, ook al is het tegen je geliefde aan, gaat toch heel gauw vervelen. Zelden is er een fantasielozer protocol uitgevonden om mannen en vrouwen met elkaar in contact te brengen. Ongetwijfeld prettig voor wie zelf niks kan bedenken. Niet voor mij.
Ik houd de meringue maar vijf minuten vol, en we staan verder met ons kleine groepje te drinken en ons te vermaken, al kijkend naar hoe het er hier allemaal aan toe gaat. Gerard, die behoorlijk papiamento verstaat, heeft geamuseerd wat gesprekken van de Antillianen afgeluisterd; dingen als "Verdomme, het lukt niet met die Nederlandse vrouwen!"
Hierna ga ik met Jeannette nog naar een kroeg in het centrum van Willemstad. Zij vliegt morgen alweer terug naar Canada, en we vinden het allebei nodig nog even bij te praten. Ze legt me voor de zoveelste keer uit dat ik de liefde van haar leven ben en dat ze me graag wil blijven zien, maar dat ze nooit meer met me samen wil zijn. En voor de zoveelste keer begrijp ik daar niks van. Ik hoor nog wat verhalen over haar relaties na mij, waarvan de eerste al begonnen was lang voordat ik überhaupt te horen kreeg dat het uit was tussen ons. In ruil daarvoor krijgt zij nog wat te horen over mijn depressies en zelfmoordneigingen van de laatste paar jaren. Fair deal, nietwaar? En hiermee eindigt wat zal blijken te zijn één van de laatste keren dat ik haar zie.
'Sorry' seems to be the hardest word
De volgende dag ontstaan wat discussies tussen Henk en mij. Het was blijkbaar een misverstand dat ik dacht dat we veel zouden gaan musiceren; dat had hij niet zo gepland. Hij wilde zich gewoon gaan ontspannen op zijn thuis-eiland, en hij dacht dat ik daar ook voor te vinden was.
De volgende morgen sta ik op en verlaat het huis terwijl alle andere bewoners nog in diepe rust liggen, en ga naar het busstation van Willemstad, waar ik om 9:00 heb afgesproken met Annet en Eline. Met een ontbijt uit een straatstalletje kom ik wel op gang. We nemen de bus naar de Christoffelberg.
Die avond gaan we naar een kroeg waar een muzikant optreedt; een oude bekende van Henk en Gerard. Annet en Eline komen ook langs. Zij vertrekken overmorgen terug naar het vasteland van Zuid-Amerika, maar voor morgen spreken we af dat ik met hen meega, de Christoffelberg opklimmen. Zo krijg ik tenminste nog iets interessants te doen op deze reis.
Aan het eind van de avond, alle andere publiek is intussen al weg, spelen wij nog wat mee met de muzikant, op onze toevallig met voorbedachte rade meegebrachte instrumenten. Zo wordt er toch nog wat gemusiceerd. Een spontane jamsessie, dat wil zeggen, zo spontaan als op dit eiland mogelijk is. Het blijft een dode sfeer, waarbij iedereen alleen bezig is mooi uit te zien conform het mode-ideaal.
Na afloop, in de auto op weg naar huis, is Henk nog steeds onze reisgids. We komen langs een buurt waarover hij vanachter het stuur opmerkt: "We rijden nu door Santa Rosa". Het is een naam die ik vaker heb gehoord.
"Kijk Max," zegt Gerard, "dit is nu de buurt waar Tipiko Santa Rosa vandaan komt." Tipiko Santa Rosa is, zoveel weet ik wel, een van de toonaangevende ensembles van traditionele Antilliaanse muziek.
Ik kijk uit de autoramen naar de nachtelijke wereld. Ik zie de zoveelste Amerikaanse-stijl suburbian woonwijk. Ongetwijfeld is hier ooit sociaal leven geweest en heeft de buurt een sfeer gehad, maar nu, of in ieder geval voor zover ik kan zien, niet.
Wat moet ik doen om hierop te reageren? Ik zoek naar woorden. Ik wil best positief zijn over dit eiland, maar ik vind zo weinig om positief over te zijn. Ik moet het maar bij inhoudsloze oppervlakkige woorden houden. Maar misschien heeft Henk dat ook wel het liefste.
Wat ik zeg, komt voort uit een misverstand van mij. Ik gebruik een uitdrukking, waarvan ik dacht dat hij een redelijk positive betekenis kan hebben, in de trant van "geweldig, hoor!" Ik geloof overigens ook serieus dat dat ooit zo geweest is. Maar tegenwoordig, zoals ik nu ondervind, wordt de uitdrukking alleen ooit nog maar sarkatisch gebruikt.
"Big deal," zeg ik.
Dit schiet Henk in het verkeerde keelgat. "Nou weet ik het, Max! Je bent gewoon een zak! Je bent helemaal niet die aardige vent die ik altijd dacht dat je was! Het is me nu allemaal duidelijk!" Hij stopt de auto. "Ga m'n auto uit!"
"Rustig Henk; het spijt me; zo bedoelde ik het niet," zeg ik, geheel naar waarheid.
"Nee, ik wil het niet meer horen! M'n auto uit, nu!!"
Waarom is het toch dat zoveel mensen, vooral Nederlanders (inclusief blijkbaar Antillianen), geen waarde hechten aan een verontschuldiging? Het komt mij heel vaak voor, dat iemand mij iets kleins aandoet, bij wijze van spreken op mijn tenen trapt, waarop ik iets zeg in de trant van "hee, kijk uit wat je doet!", maar de ander zegt iets als "zeik niet joh!" Als hij "sorry" zou zeggen, zou ik weten dat hij er spijt van heeft, zou hij meteen vergeven zijn, en zou er verder niets aan de hand zijn. Maar op deze manier blijf ik kwaad, en dit klein incident wordt meteen opgeblazen tot een zware ruzie. Andersom gebeurt het ook vaak, zoals nu, dat ik iemand anders per ongeluk iets aandoe, waarvoor ik dan onmiddellijk mijn excuses aanbied, maar die worden genegeerd en niet geaccepteerd. In beide gevallen ontstaan er haatgevoelens, die voorkomen hadden kunnen worden door dat simpele woordje 'sorry', dat men niet wil zeggen of horen. En altijd is het natuurlijk mijn schuld.
Henk lijkt het echt te menen. Hij rijdt niet verder voordat ik uitstap. Gerard zegt niks.
Ik weet niet meer wat te doen. "Nou dan ga ik maar," zeg ik, en stap uit. Onmiddellijk rijdt de auto weg.
Heel fijn Henk! Mij midden in de nacht, op een eiland waar ik de weg niet weet, uit de auto zetten! En dat omdat ik wat kritische dingen over je eiland heb gezegd?!
Gelukkig heb ik een kaart bij me, zodat ik al gauw uitvind waar ik eigenlijk ben, en rijden de bussen nog. Ik vind een bushalte en neem een bus naar Henks huis. Maar mijn gedachten op deze tocht dragen er weinig aan bij dat ik nog de neiging heb nog meer mijn excuses aan te bieden. Na wat Henk nu heeft gedaan, is het aan hém om zijn excuses aan te bieden. En dat moet wel uit meer bestaan dan een 'sorry'.
Als ik thuiskom zijn Henk en Gerard er nog niet. Waarschijnlijk nog naar een andere kroeg gegaan, om te vieren dat ze die vervelende vent eindelijk kwijt zijn, of zo. Ik ga slapen.
Een haf uur later komen ze thuis, en Gerard, die bij mij op een kamer slaapt, komt de kamer binnen. Hij is opgelucht te zien dat ik de weg terug heb kunnen vinden. Hij probeert de zaak te sussen met: "Trek het je niet aan, Max; Henk bedoelt het allemaal niet zo. Hij wond zich op omdat je bepaalde dingen over zijn eiland zei."
(Bedoelt het niet 'zo'? Hij gooit me midden in de nacht uit de auto!) "Hoe bedoel je 'hij bedoelt het niet zo'?"
"Je hoeft het niet persoonlijk op te vatten."
"Niet persoonlijk?! Dat wat ík zei, dát was juist niet persoonlijk!"
"Nou, zo kwam het anders wel over."
Jaja. Als ik dingen over zijn eiland zeg, is dat persoonlijk voor Henk, maar als hij zegt 'je bent een zak', is dat niet persoonlijk.
"Nou, hoe dan ook," vervolg ik, "ik heb geen zin meer hier nog veel langer te blijven. Ik vraag morgen aan Annet en Eline of ik met hen mee mag naar Venezuela."
"Tja, dat dachten we al."
Dat is dan mooi.
De dames vinden het prima en gezellig dat ik de rest van mijn tijd in het Caribisch gebied met hen mee optrek. En mijn terugvlucht, over 10 dagen, gaat via Caracas (hoofdstad van Venezuela), dus daar zou ik dan kunnen instappen. Dan hoef ik hier ook niet meer terug te komen.
De Christoffelberg is 'maar' een heuvel, het hoogste punt van Curaçao. Dit is de eerste ontspannen dag van de hele reis, ook al bevat hij wat meer lichamelijke inspanning (of mede juist daardoor). Vanaf de weg lopen we over een smal pad door het dichte cactussenwoud. Het pad begint omhoog te gaan en slingert zich, zonder dat het landschap verandert, naar de top.
Annet geeft de tocht op vlak voor de eindstreep, en wacht terwijl Eline en ik ons naar de top werken. De berg heeft een typische punt-top, waarop wij in de om ons heen razende wind plaats nemen en ons triomfantelijk laten fotograferen.
Hierna gaan we naar het strand, in een van de vele baaitjes aan de zuidwestkant van het eiland. Aan het eind van de middag liften we achterin een pickup-truck terug naar Willemstad.
Vlucht
Als ik terug kom bij Henk's ouders, is Henk gekalmeerd. Hij accepteert (is blij met?) mijn beslissing om te vertrekken. "En ik ben blij voor je, dat je vandaag nog iets leuks hebt gedaan op Curaçao, voor je vertrekt."
Een uurtje later bereiken we Venezuela, en vliegen over de zanderige vlakten van Punto Fijo. Ik maak mezelf wijs dat je op zo'n gebied in ieder geval niet al te hard kunt neerstorten, om af en toe opkomende nervositeit de kop in te drukken. Maar we komen zonder problemen aan op het vliegveld van Coro.
Oase in de bergen
En je wordt wakker als die lucht duidelijk wat frisser is geworden. Het is intussen licht en we rijden over kronkelige wegen door de bergen. De laatste paar uur van de rit tonen een voortdurend veranderend landschap, met een klimaat dat van tropisch steeds koeler wordt, en een vegetatie die ook steeds verandert.
Ik neem verontschuldigend afscheid van Henks ouders, beloof zijn zus Carrie dat ik contact zal houden (wat ik daaarna inderdaad nog een tijd zal doen!) en tuig de volgende morgen, maandag 21 februari, naar het centrum. Annet en Eline vliegen vandaag via Aruba terug naar Venezuela, maar dat is voor mij niet handig. Maar met de kleine vliegtuigjes die op verzoek heen en weer vliegen naar Coro, kan ik een vlucht krijgen. Ik heb met de dames afgesproken in Merida.
Annet en Eline hebben vanuit Merida, in de uitlopers van de Andes, een kampeertocht met ezels gemaakt. Maar één van de ezels kreeg een lekke band (nee, dat klopt niet, maar ik weet niet precies wat er aan de hand was), en daardoor is toen niet al hun bagage mee teruggekomen voordat zij Merida verlieten. Zodoende moeten ze nog daarheen terug, om bij de tour-organisateur Eline's spullen op te halen. We hebben afgesproken elkaar morgen te zien in het hotel waar zij toen ook overnachtten.
Ik begeef me naar het vliegveld. In de hal hoor ik plotseling in het Spaans: "Hee hallo, ken je me nog?" Het is de piloot die mij drie jaar geleden met een driepersoonsvliegtuigje van Coro naar hier heeft gevlogen. Ik herken hem, maar dan vooral omdat hij mij herkent. Ben ik zo memorabel?
"Alles goed? En hoe gaat het met die andere meneer?" Hij bedoelt de andere passagier van destijds, een zakenman.
"Met hem gaat het vast wel goed; ik weet het niet want ik hem hem daarna net zoveel gezien als jij. Ik ken hem ook niet."
Ik heb deze keer een vlucht in een significant groter vliegtuig: deze heeft vijf zitplaatsen. De piloot is een andere dan mijn oude vriend.
We (drie andere toeristen en ik) moeten via de vleugel erin klimmen. Ik zit naast de piloot. Hij draagt mij op de deur open te houden terwijl we vaart maken op de startbaan. Ik wacht op een commando 'nu dicht doen!' als ik hoor, net op het moment dat we opstijgen: "Loslaten!" In de war houd ik de deur nog steeds open en kijk de piloot vragend aan.
"Loslaten!!" herhaalt hij.
Ik laat de deur los en deze klapt meteen dicht. Tuurlijk, dat had ik kunnen weten. Vergeef mij mijn gebrek aan ervaring als co-piloot.
Ik houd nauwlettend alle metertjes om me heen in de gaten (u begrijpt wel dat ik bedoel: ik kijk diep onder de indruk naar de paar metertjes die ik begrijp), en vergaap mij verder aan het uitzicht: we verlaten het koraaleiland en vliegen laag over de altijd woelige Caribische Zee.
Venezuela! Wat een genot terug te zijn! Uit het vliegveld op straat stappend, krioelen de mensen, bussen en auto's om me heen in de vroege avond. Iedereen is ergens heen op weg. Zakenmensen, arbeiders en kinderen op weg naar huis, jongeren op zoek naar vertier vanavond, straatverkopers en taxichauffeurs op jacht naar klandizie. Hier lééft het, wat een verademing na de levenloze plaatjes van Curaçao!
Ter volledigheid moet ik misschien vermelden: gefietst wordt hier óók niet, maar dat verwacht ik ook niet. Maar er wordt wél gelopen, en ge-openbaar-vervoerd. Het bezit en voortdurend gebruik van een gemotoriseerd stuk blik met wielen is hier geen bewijs van persoonswaarde, en niemand ziet het als een blamage zich te voet door het centrum te begeven en per bus verder te gaan, wanneer dat nu toevallig beter uitkomt, wat niet onwaarschijnlijk is, want auto's zijn er desondanks ook veel, en het verkeer is niet eenvoudig door te komen.
Via een geldautomaat om even flink wat Bolivares in te slaan, begeef ik me door de hekseketel van leven naar het busstation van Coro. Er gaat een nachtbus naar Merida; een reis van zo'n 10 uur. Annet en Eline zouden ook ongeveer nu in Maracaibo aan moeten komen; op deze manier zijn we misschien ongeveer tegelijk in Merida.
Ingestapt in de bus babbel ik wat met het meisje dat naast me zit. Mijn Spaans is toch wat roestig, zo merk ik.
"Sorry voor mijn slechte Spaans, het is weer lang geleden. Ik moet er weer even inkomen," verklaar ik me.
"Hoezo; kost het je moeite Spaans te spreken?"
De bus rijdt de stad uit en de tropennacht in. Het geschud en de zwoele lucht werken prima, als je eraan toegeeft, om je on slaap te laten sukkelen.
We komen aan in Merida, dat hoog in de bergen ligt te schitteren in de frisse heldere ochtendzon. Een heel andere wereld dan beneden aan de kust. Merida ligt op 1600 m, en is de belangrijkste stad in het Andes-gedeelte van Venezuela.
Ik ben hier drie jaar geleden ook al geweest, dus ik ken de stad wel ongeveer. Ik heb snel uitgevonden waar het bewuste hotel is, en sjouw er naar toe.
Bij het inchecken blijken Annet en Eline er nog niet te zijn. Yes, ik heb de race gewonnen!! (voor wat dat waard moge zijn). Wil ik dan een één- of een driepersoonskamer? Tja, dat weet ik dan nog niet. Goed, ik heb nog de hele dag de tijd.
Ik ga lunchen op een terrasje in het centrum. Een Venezolaanse schone vraagt of ze aan mijn tafeltje mag komen zitten, want er is geen ander tafeltje meer vrij. Het antwoord laat ik hier achterwege om ruimte te sparen want dat kunt u wel raden. We wisselen eerst niet veel woorden. Maar even later vraagt ze, gezien hebbend wat ik aan het lezen ben: "Ben jij een Nederlander?"
"Eh ja; hoe zie je dat zo?"
"Ik woon in Amsterdam," antwoordt ze in het Nederlands.
Er zijn van die momenten waarop je plotseling je hele oriëntatie in je omgeving moet herzien. Zoals wanneer je in een kermisapparaat ondersteboven denkt te hangen en dan toch rechtop blijkt te zitten, of wanneer je geblinddoekt een ruimte in bent geleid, de blinddoek afdoet, en op de vijf meter hoge duikplank blijkt te staan. Een soortgelijk gevoel overkomt je, wanneer je diep in Zuid-Amerika, ver van de toeristische gebieden, met de lokale bewoners praat, en een bloedmooie Venezolaanse dan blijkt in Amsterdam te wonen en perfect Nederlands te spreken.
Ze heet Maria, studeert in Amsterdam, en is nu thuis in Merida bij haar ouders. We keuvelen in het Nederlands verder. Ze combineert leuk een licht Amsterdams accent met een licht Venezolaans. Het leven in Nederland bevalt haar prima, maar er zijn natuurlijk gekke dingen. "Wat ik het gekste vind, is hoe de Amsterdammers praten. Als ik iets vertel, zeggen ze tussendoor vaak: 'Zeg!' Dan vraag ik altijd: 'Zeg wat?'. Dan zeggen ze 'nee, gewoon: zeg!' Dat is blijkbaar een uiting van verbazing."
Wat later komt er een klein jongetje bij ons bedelen om geld. Dit is een bekend fenomeen in deze landen. Je kunt er rustig vanuit gaan dat hij deel uitmaakt van een 'gang', en dat hij is ingehuurd om te bedelen omdat dat bij mensen medelijden opwekt. Het is heel onwaarschijnlijk dat hij zelf veel beter wordt van het geld dat je hem geeft.
Maria zegt: "Ik geef je geen geld, maar ik wil je wel wat te eten geven. Wil je dat?"
Het jongetje knikt verlegen maar enthousiast 'ja'. Maria bestelt voor hem een sandwich, en laat hem aan ons tafeltje plaatsnemen. Als de sandwich arriveert, eet het jongetje hem op, nog steeds verlegen en niet veel sprekend, maar zijn stralende oogjes zeggen dat hij zijn geluk vandaag haast niet kan geloven. Ik ben overtuigd: dit is de manier om bedelaars wérkelijk een beetje te helpen.
Als de sandwich op is, gaat het jongetje weer op pad, nadat Maria hem op het hart heeft gedrukt dit aan niemand te vertellen. Nu heeft hij niet alleen een lekker gevulde maag, maar ook nog een spannend geheim. Als zijn opdrachtgevers zich nou maar niet gaan afvragen waarom hij vandaag zo gelukkig is.
Ik vertel Maria over mijn plannen, die eigenlijk alleen neerkomen op wachten op Annet en Eline. Maria vraagt me:
"Hou je van dansen?"
"Eh... ja?"
"Dan moet je vanavond naar de kroeg ***** komen; daar is goede muziek en kun je leuk dansen. Daar ga ik vanavond ook heen."
Dat klinkt als een prima plan. Dus wanneer Maria vertrekt, beloven we elkaar in die kroeg te zien.
Even later ga ik nog eens in het hotel kijken, maar nog geen Annet en Eline. De rest van de dag wandel ik nog rond in de stad, en tegen het begin van de avond ben ik weer in het hotel, waar nog steeds geen teken van leven van de dames is. Nu ga ik me toch wel zorgen maken.
Ik boek een éénpersoonskamer voor vannacht. Even later komen Annet en Eline binnen.
Of het niet meer mogelijk was de kamerboeking te veranderen, en waarom niet, staat me bij het schrijven van dit verhaal niet meer bij. In ieder geval hebben we voor vanavond aparte kamers; vanaf morgen zullen we met z'n drieën gezellig op een kamer zitten.
We gaan vieren dat we elkaar hebben gevonden en dat ik Curaçao uit ben in een restaurant, en daarna in de kroeg die mij door Maria is aangeraden. Annet en Eline zijn zwaar onder de indruk als even later een mooie Venezolaanse binnenkomt en mij spontaan begint te zoenen. Met Maria en haar vrienden hebben wij verder nog een erg gezellige avond.
Op de vlakte
We blijven nog drie hele dagen in Merida. Annet en Eline krijgen bij de touroperator hun spullen terug. En we gaan naar de markthallen waar ik drie jaar geleden mijn cuatro heb gekocht. Iemand in Nederland is geïnteresseerd mijn cuatro te kopen, en ik koop daarom hier voor mezelf een nieuwe. Die eerste had destijds zo'n €10 gekost en was van redelijke kwaliteit; nu besluit ik een klasse hoger te gaan en voor €30 een echt goede te kopen. Big spender!
Dat cuatro's zo gemakkelijk en zo goedkoop te krijgen zijn, is niet zo verwonderlijk als je verder om je heen kijkt. De cuatro is hier net zo'n wezenlijk onderdeel van het leven als de fiets is in Nederland. Iedereen heeft een cuatro, en kan er ook fatsoenlijk op spelen. Men krijgt de cuatromuziek-cultuur met de paplepel ingegoten. Dit blijkt inderdaad -redelijk letterlijk- wanneer we langs een schoolgebouw lopen waar een deur open staat, en we een hele klas kinderen zien die ijverig en met plezier de traditionele driekwartsmaten aan het oefenen zijn.
Ik ga naar een dokter om te vragen over inentingen. Voor de Curaçao-reis waren geen inentingen nodig, maar in Venezuela eigenlijk wel. Wat is dan raadzaam nu te doen? De dokter raadt mij aan malaria-tabletten te gebruiken, maar verder, als ik me niet de jungle in waag, is het risico op gele koorts en dergelijke nihil en hoef ik geen prikken te nemen. Daar houd ik het dan maar op - ook omdat ik vermoed dat de prik zelf in dit land misschien net zoveel risico inhoudt als de kwaal...
Welke kant uit we nu verder willen reizen is een punt van discussie. In Merida eten we in een leuk Colombiaans restaurant, en ik weet niet of Eline daardoor de smaak te pakken heeft, maar ze vraagt Annet en mij verschillende keren, vol kinderlijk enthousiasme: "Gaan jullie mee naar Colombia? Ja? Ja?"
Annet en ik zien dat echter niet zo zitten. Ongetwijfeld zijn er plaatsen waar je veilig kunt rondlopen, maar die moet je dan weten. Op goed geluk rondreizen, zoals we nu aan het doen zijn, is behoorlijk riskant in dat land dat in voortdurende strijd is tussen drugsbaronnen en de politie. Ik weet niet of Eline er nu al spijt van heeft dat ze me hebben meegenomen, maar ze schikt zich in het besluit van de meerderheid.
Op zaterdag 26 februari nemen we de bus de berg af richting Barinas, aan de zuidoostkant van deze tak van de Andes. Hier beginnen de Llanos, de savanne-achtige vlakten die een groot deel van Venezuela beslaan. En hier komen we weer in de tropische hitte.
Onderweg merken we dat we niet zo ver van Colombia vandaan zijn. De bus wordt aangehouden door de politie. Gewapende gendarmes delen ons rustig doch dwingend mee dat iedereen moet uitstappen.
De bus wordt doorzocht, en alle passagiers moeten hun bagage openen onder hun waakzame ogen. De agenten graaien door alle tassen heen op zoek naar, zo nemen we aan, smokkelwaar. Buiten ons zijn alle reizigers Latijns-Amerikanen en hebben niet veel bijzonders bij zich. Maar wij drie vreemdelingen met grote rugzakken verdienen natuurlijk extra aandacht. (Waarschijnlijk maakt de informatie 'Nederlander' ze nog extra alert!) Bij ons moet echt álles open en uit elkaar gehaald.
In Eline's toilettas vindt een agent een strip met verdacht uitziende pilletjes. Hij zwaait deze in haar gezicht terwijl hij haar dringend vragend aankijkt. Eline vraagt zich af hoe ze met haar beperkte Spaans moet uitleggen dat dit anticonceptiepillen zijn. "No niños" ('geen kinderen'), zegt ze uiteindelijk.
Hoewel je deze omschrijving op veel manieren zou kunnen interpreteren ('niet voor kinderen'?), zijn deze twee magische woorden genoeg om de gendarme gerust te stellen. Ze stellen verder geen vragen, laten ons onze tassen inpakken en instappen, en wij vervolgen onze reis.
We komen aan in Barinas, een kleine stad met een dorpssfeer. In het midden is een plein met daaraan een grote concertzaal. In deze zaal is vanavond wat te doen: een populaire Venezolaanse zanger treedt hier vanavond op.
We scharen ons bij de grote massa's mensen die zich naar de ingang begeven. Het lijkt erop dat de hele bevolking van de stad vanavond in één zaal bij elkaar gaat zijn.
Binnen lijkt het qua opzet meer een feest te zijn dan een concert. Het podium is aan het eind van de zaal, die verder afgezien van een dansvloer vol staat met tafeltjes met stoelen eromheen. Van de bars aan de zijkanten kan de hele avond drank worden besteld. Het orkest bestaat uit de traditionele opzet: harp, cuatro, maracas en bas. Bij het losbarsten van de snelle driekwartsmaten begeven velen zich meteen naar de dansvloer om de joropo te dansen.
Ik kan wel een joropo spelen op de cuatro, maar ik heb geen flauw idee hoe die wordt gedanst. Drie jaar geleden heb ik daar weliswaar een les in gehad in de sloppenwijken van Ciudad Bolívar, maar ik had toen ook geen flauw idee wat ik eigenlijk moest doen. De lokalen zeiden dan wel dat ik het goed deed, maar dat zal meer het spreekwoordelijke 'applaus voor de dansende beer' zijn (zie Will Ferguson, 'Hokkaido Highway Blues'). Wij blijven hier dus rustig aan een tafeltje zitten met een pilsje, en genieten van de sfeer.
Ik maak een babbeltje met een barman, die natuurlijk meteen wil weten waar wij vandaan komen. Waarschijnlijk heeft hij, net als alle andere aanwezigen, zich al zitten afvragen wat die drie vreemdelingen hier doen, waar ze vandaan komen, en wat hen interesseert in 'onze' muziek. Bij het horen dat wij uit Nederland komen, is hij overdonderd van enthousiasme. Het nieuws wordt rondgepraat bij de rest van het personeel, en komt al snel op het podium, helemaal aan de andere kant van de zaal, terecht. Een paar minuten nadat ik mijn openbaring aan de barman heb gedaan, horen we de nationale beroemdheid na afloop van één van zijn nummers de zaal in roepen:
"Beste mensen, weet u wel dat we vanavond drie speciale gasten in ons midden hebben? Ze komen helemaal uit Nederland om hier vandaag bij ons te zijn!" En er valt niet aan te ontkomen: we moeten op het podium verschijnen. Annet en vooral Eline hebben hier eigenlijk helemaal geen zin in, maar laten we nu maar toegeven aan het enthousiasme van de mensen.
Op het podium worden we samen met de popster op de foto gezet door de persfotograaf, en staan dus ongetwijfeld de volgende morgen op de voorpagina van de plaatselijke krant (hoewel we dat zelf niet te zien zullen krijgen). Annet en Eline vinden dit voor een keer wel grappig, maar voelen zich erg opgelaten, en laten mij beloven dat ik dit soort dingen niet meer zal uithalen. Sorry... maar ik neem aan dat een foto in de krant toch nog van nut zou kunnen zijn, mochten we vermist raken, en een reddingsteam kwam onze sporen zoeken, niet dan?
Zondagochtend nemen we de bus verder de Llanos in, naar Bruzual, een nog kleiner stadje.
's Middags maken we vanuit hier een safari: we rijden met een gids in zijn open landrover over de kleine landweggetjes van het savannegebied, en zien kaaimannen, rode ibissen, capibara's en meer van dat fraais. Ik probeer foto's te nemen, maar helaas: we bevinden ons op veilige afstand van de krokodil-achtigen, en hoewel ik ze duidelijk zie, kan de resolutie van mijn camera de afstand niet aan.
Behalve de gids en wij, bevat de groep nog een Duits echtpaar van middelbare leeftijd en lichtelijke gekheid. Begrijp me goed; we zijn zelf waarschijnlijk net zo gek, en dat moet ook wel om zo'n reis te maken.
's Avonds, bij een pilsje op het terras van ons hotelletje, laten Annet en Eline mij mijn hart uitstorten over mijn depressies, en daarna gaan we met z'n drieën het stadje in, want er is vanavond een dansfeest. Dezelfde opzet als op Curaçao: op een afgezet parkeerterrein is een dansvloer gemarkeerd door lampen en luidsprekers, vol met mensen die zich vermaken op de luid swingende salsamuziek onder de zwoele donkere tropenhemel. Het grote verschil met het eiland zijn de mensen: hier zien ze er nog uit als mensen, niet overdreven opgemaakt of scherp gekleed, en zich niet gedragend volgens de standaardpatronen. Bovendien zijn alle leeftijden hier vertegenwoordigd. Natuurlijk is ook dit een plek voor de sexen om elkaar te ontmoeten, maar dat kan ook op een spontane manier.
Eline vertelt over haar frustraties op dit soort feesten: "Het komt vaak voor dat ik een tijdje gezellig met een vent heb zitten praten, en op een gegeven moment besluiten we te gaan dansen. Maar als we opstaan van onze stoelen, blijkt dat zo'n ZuidAmerikaantje dan niet hoger komt dan mijn borsten. Dan zeg ik: 'Uh-oh; ik wil met jou niet dansen!' Want hij zou dan, gewoon door de hoogte van zijn gezicht, de hele tijd naar mijn borsten lopen staren, en dat moet ik niet hebben. En dat is jammer, want het kan verder best een aardige vent zijn, met wie ik op zich graag zou willen dansen." Nederlandse vrouwen in Zuid-Amerika hebben ook zo hun eigen problemen.
Maandag brengt een bus ons weer verder over de wijde vlakten, naar San Fernando de Apure, een grote stad aan een rivier. Het Duitse echtpaar van de safari gisteren, die ook in de bus zaten, checken 's middags tegelijk met ons in hetzelfde hotel in.
De receptionist schrijft al onze gegevens in zijn register. Hij vraagt de Duitse vrouw om haar beroep.
"Docent," antwoordt ze, en "... in de liefde", voegt ze er voorzichtig grappenmakend aan toe. Duitse humor.
De receptionist, niet onder de indruk, vraagt aan de man: "en u?"
"Docent ... in de liefde."
"Goh, ook al?" speelt de receptionist verbazing.
Waarop Eline in het Nederlands becommentarieert: "Als jullie maar niet te veel herrie maken, want ik wil vannacht wel slapen!"
De volgende dag wandelen we gedrieën door de stad, en zien dat er die avond in een restaurant aan de rivier een optreden is van een traditionele band. Annet en vooral Eline maken mij al snel duidelijk dat ze niet veel zin hebben weer naar zoiets te gaan, want ze hebben hun buik wel vol van traditionele Venezolaanse driekwartsmaten. Waarschijnlijk willen ze bovendien niet het risico lopen weer het podium op geroepen te worden en voor aap te zitten. Maar ze waarschuwen mij ten overvloede, want ook ik heb daar niet meteen wéér zin in. Geloof het of niet, zelfs ík krijg wel eens genoeg van volksmuziek!
De dames zijn ervan overtuigd dat mijn depressieve gevoelens van de laatste jaren, in ieder geval deels, veroorzaakt worden door mijn terugverlangen naar Jeannette. Hoewel Annet altijd blijft beweren: "Ik kan me gewoon niet voorstellen dat jullie niet bij elkaar horen!", lijkt er niet veel hoop op te zijn dat dat nog veel wordt, en hoe dan ook is mijn gemoed niet gebaat bij al dat verlangen. Het komt erop neer, dat ze mij overtuigen dat ik eens naar andere vrouwen moet uitkijken.
Ik neem hun raad ter harte, en wanneer ik bij een marktstalletje sta te praten met een bloedmooie vrouw genaamd Sol, waarvan ik op één of andere manier kom te weten dat ze alleenstaande moeder is, krijg ik haar adres en spreek ik met haar af 's avonds te ontmoeten, om een bepaalde tijd, op een bepaalde plek. Annet en Eline juichen dit van harte toe. Play it again, Sam.
Ik eet met mijn reisgenoten in een restaurantje vlakbij de bewuste straathoek, en om de bewuste tijd ga ik naar buiten om op mijn date te wachten. Ik wacht een half uur, maar niks. Ik ga weer het restaurant in, en kom af en toe weer naar buiten en vraag aan een straatverkoper of hij een vrouw hier heeft gezien die aan mijn beschrijving voldoet. Nee, niks gezien.
Na een aantal keren kom ik wéér naar buiten, en nu, meer dan een uur na de afgesproken tijd, zegt de straatventer: "Ja, nu is ze hier wel geweest! Een vrouw met lange zwarte haren! Ze is die kant uit!"
Ik ren een paar blokken de gewezen kant op, maar vind niets. Een beetje gedesillusioneerd, maar nauwelijks verbaasd, dit is tenslotte Venezuela, sjok ik weer terug naar het restaurant. Ja ik heb haar adres, en kan erachteraan gaan, maar waar is het allemaal goed voor?
De junglepoort
Verder valt er in San Fernando de Apure ook niet zoveel te beleven, dus 's morgens op woensdag 2 maart pakken we weer de bus naar een andere plek. Deze keer gaan we naar het zuiden, voor een rit van een hele dag met eindbestemming Puerto Ayacucho, in de zuidelijke deelstaat Amazonas. Terwijl we ons van de stad San Fernando verwijderen, wordt het landschap om ons heen steeds kaler en droger.
We komen bij een rivieroever, waar de weg een bocht maakt en in overlangse richting in het water verdwijnt. Er komt een veerpont aantuffen, die ook helemaal overlangs in het water hangt. Het is duidelijk dat de pont door de sterke stroming binnen de kortste keren zou worden weggevoerd, als hij niet aan de ketting hing, waarlangs hij zich behoedzaam een weg klautert naar de aanlegplek.
Als de pont bij de oever is aangekomen, rijden we het autoplatform op, en laten ons naar de overkant vervoeren op de enigszins gekanteld in het water liggende en overlangs in de stroming hangende veerpont, hopend dat de ketting het houdt.
We bereiken scheef maar veilig de overkant, en rijden verder door het woestijnachtige landschap, dat wordt doorregen door vele van deze rivieren. We zullen vandaag nóg drie keer op dezelfde manier een rivier oversteken.
Een man achterin de bus ziet dat ik een cuatro bij me heb, en vraagt of ik erop kan spelen. Ja; ik pak hem uit en sla enkele accoorden aan op het typische driekwartsmaat-ritme.
Maar ik probeer er niet over op te scheppen; in dit land wordt iedereen tenslotte met de cuatro opgevoed. Dat blijkt ook wel wanneer hij vraagt of hij zelf even mag. Met genoegen geef ik het instrument uit handen, en de man speelt en zingt enkele energieke en vrolijke joropo's. Live muziek in de bus. De sfeer kan niet meer stuk.
Midden in een lang stuk woestijn tussen twee rivieren, komt ineens wat afwisseling in de eindeloos rechte en lege weg. Er staat een bus stil, die duidelijk problemen heeft. Lekke band of zoiets. Enkele mensen staan eromheen rond te hangen, onduidelijk of ze bezig zijn het probleem op te lossen, of aan het genieten van de pauze midden in de woestijn.
Onze bus stopt langszij, zoals je met goed fatsoen doet in zo'n situatie. De chauffeur en enkele anderen stappen uit en gaan met de anderen praten. Wij blijven nog maar even binnen zitten, tot we wat meer weten wat er aan de hand is. Na een paar minuten stappen ze weer in, de mensen van de andere bus blijven buiten, en we rijden weer door. Blijkbaar was het niet zo ernstig.
"Was dat de vorige bus, van een uur geleden of zo, die hier is gestrand?" vraag ik, als ik één van onze verkenners te spreken krijg.
"Wat? Nee, dat was de bus van gisteren."
Ik durf niet verder te vragen.
Met onze bus gebeurt gelukkig niets bijzonders. Na een hele dag rijden door veel woestijn en het oversteken van enkele rivieren, verandert tegen het eind van de middag het landschap ineens weer. Alsof afgesneden met een mes, begint hier ineens het Amazonewoud. Overal tropische begroeiing om ons heen. En om bij te dragen aan de veranderde ambiance, begint de weg ook meteen te kronkelen.
Na korte tijd verschijnen er huizen tussen de bomen, en lopen er allemaal mensen over straat. Dit is Puerto Ayacucho, een kleine stad aan de noordelijke rand van het Amazonewoud. Het 'puerto' ('haven') in de naam slaat misschien op de rivierhaven die er ongetwijfeld is, maar volgens mij net zozeer op het feit dat dit stadje een 'poort' is tussen de jungle en de woestijn. Dit is het eindstation van de bus, en onze volgende overnachtingsplek.
We nemen een driepersoonskamer in hotel 'Internacional', een simpel gebouwtje met kamers gegroepeerd rond een binnenplaatsje vol met weelderig tropisch groen.
Ook op de straten ontkom je niet aan dat begroente. Het oerwoud steekt overal tussen de bebouwing door. De huizen vechten voor hun plaatsje in de jungle. Als je natuur zijn gang laat gaan, is het duidelijk dat in een mum van tijd het groen zal overwinnen, en je de huizen niet meer zult kunnen terugvinden.
Mijn tijd op dit continent loopt intussen op zijn eind. Morgenavond, donderdag 3 maart, gaat mijn vlucht van Curaçao via Caracas terug naar Lissabon. Zoals gezegd zal ik in Caracas kunnen opstappen. Caracas is echter in het noorden, bij de kust, en ik zit nu aan de andere kant van het land, helemaal in het zuiden. Maar ik heb al uitgezocht dat ik dat kan halen met een binnenlandse vlucht van het vliegveldje van dit provinciestadje naar Caracas.
Toch hebben Annet en Eline geen rust voordat ik dat ook werkelijk heb geregeld. Dus stap ik deze middag meteen naar het plaatselijke reisbureau. Bij de twee mooie meisjes achter de balie koop ik een vliegticket voor morgen naar Caracas van de nationale vliegmaatschappij 'Aeropostal', waarmee ik mijn TAP-vlucht naar Lissabon gemakkelijk moet kunnen halen. Mooi; geregeld. Terwijl ik tevreden het reisbureau weer uitloop, zegt een man, die op een bank in de winkel zit, in het Nederlands: "Mooie vrouwen, hè?"
Wat nou weer? Meer Nederlanders, of Venezolanen die in Amsterdam wonen? Niet helemaal. De man werkt bij het reisbureau, is Venezolaan, en spreekt ook Engels, en kent verder wel een paar woorden in heel wat andere talen. In het Nederlands komt zijn kennis niet veel verder dan "mooie vrouwen hè". Maar ik kan me slechtere kreten voorstellen om te beheersen als enige kennis van een taal.
De twee meisjes blijken stageaires te zijn in dit reisbureau. Ze studeren in Merida, en voelen zich een beetje onwennig hier in deze kleine stad in het midden van nergens, aan de rand van de jungle. We babbelen gezellig nog wat verder (gewoon in het Spaans natuurlijk), voor ik vertrek.
Ik ontmoet Annet en Eline weer in het hotel, en met een vliegticket op zak, zijn zij ook tevreden over mij. We gaan naar een restaurant voor een feestelijk afscheidsmaal, en daarna naar een kroeg voor een dito afscheids-doorzak-borrel. Evaluaties van het ervarene, en proosten op de goede afloop van het conflict op Curaçao! De avond eindigt in een prima sfeer.
Nieuws
's Morgens is het uur gekomen om afscheid te nemen. Annet en Eline nemen de bus naar Ciudad Bolívar, een stad een eind naar het oosten aan de oever van de machtige rivier Orinoco. Ik heb die plek al in 1991 gezien, zodat ik niet al te jaloers hoef te zijn; dat is aardig van ze.
Déjà vu
Ha! Ik heb weer geld. Het is opmerkelijk, en misschien schandalig, hoe goed dat toch altijd weer voelt. Prima gehumeurd wandel ik terug naar het restaurant waar ik deze aanwijzing kreeg, en bestel wat te eten.
Een dag in de jungle
De hele vrijdag doe ik het rustig aan. Ik heb een hele dag te verteren, en niets bijzonders gepland. Ik heb weliswaar weer geld, maar niet belachelijk veel. Van interessante dingen zoals een excursie de natuur in kan dan ook geen sprake zijn. Dus ik wandel maar wat door de stad, waar niet veel bijzonders te zien is. Ik wandel ook een eindje over de uitvalsweg de rivier over en de jungle in, zover als me in mijn eentje nog verantwoord lijkt. Ik vergaap me aan de weelderige ongerepte begroeiïng. Maar ik waag me er niet in; ik blijf op de asfaltweg, want het lijkt me slim niet nog meer risico te lopen.
Met deze gedachten en een aangename wandeling gaat het grootste gedeelte van de dag voorbij. Ik loop laat 's middags de stad weer in, en voor wat levendigheid, om niet te veel door mijn eigen gedachten te worden opgevreten, wandel ik -u raadt het al- mijn stamkroeg weer in: het reisbureau.
Ik loop de stad weer in. Aan het begin van de avond, als de zon net onder is en de duisternis als een blok is gevallen, kom ik op een plein waar iets aan de hand lijkt te zijn, of te zijn geweest. Overal langs de randen staan mensen, vooral jongeren, en in het midden staat de politie, naast enkele politieauto's, iets te doen met enkele burgers. Er lijkt een enigszins gespannen sfeer te hangen. Een uit elkaar geslagen protestdemonstratie? Een arrestatie van een publieke vijand, waar iedereen op af komt om te kijken? Het wordt mij niet helemaal duidelijk, want één ding weet ik wel: ik kan me hier het beste maar ver buiten houden. Wat er ook aan de hand is, zijnde iemand die duidelijk een Europeaan is en 'dus' veel geld heeft, word je al gauw tegen je zin ergens bij betrokken. Dat kunnen we zeker nu niet hebben. Ik loop dus met een flinke afstand om het gebeurende heen, wanneer ik één van de politieagenten hoor roepen:
Even later terug in het hotel vertel ik de vriendelijke oude dame die de manager is dat ik een telefoontje verwacht. Een meisje zou rond acht uur moeten bellen. Kan ze me dan roepen? (De hotelkamers hebben geen telefoon.) Jawel, geen probleem, dat komt goed.
Ik vermaak me verder prima deze avond. Ik ga eten in een restaurant, en ga daarna op zoek naar een kroeg om door te zakken.
Eindelijk vertrek?
Hoopvol sta ik de morgen van zaterdag 5 maart op. Nu zou het dan toch moeten lukken hier weg te komen. Niet dat ik absoluut hier weg wil, maar dat moet nou eenmaal, en ik heb geen geld meer.
Ik neem de microbus naar het vliegveld, een klein busje, volgestampt met moeders met kinderen en mensen met marktkoopwaar. Na een half uurtje worstelen om me staande te houden en geen mensen te verpletteren onder de grote rugzak op mijn rug, kom ik op het vliegveld aan. Een klein gebouwtje, midden in nergens.
In een middelgroot vliegtuig (zo'n 100 passagiers) vlieg ik zonder verdere problemen, en via een tussenstop in San Fernando de Apure, naar Caracas.
Spoorloos
Drie dagen eerder, op donderdag 3 maart, stappen Henk en Gerard op Curaçao in het vliegtuig, en vliegen naar Caracas. Daar hopen ze mij te zien instappen, maar ik ben er niet. Het bericht dat ik het personeel heb gevraagd aan hen door te geven bereikt hen niet. Hoe had ik ook kunnen denken dat dat zou gebeuren? Maar aan de andere kant, wat kon ik anders?
Zoals gezegd worden mijn ouders gerust gesteld voor ze zich zorgen konden gaan maken, evenals mijn huisgenoten in Eindhoven. Thuisgekomen bel ik ook Henk op om te vertellen hoe het gegaan is. Maar het nieuws dat ik twee dagen na planning teruggekomen ben, verspreidt zich minder snel dan het nieuws dat ik al weken vermist ben.
Ik zwaai ze uit bij het busstation, en loop nog even rond door de stad. Ik heb nog een paar uur voor ik naar het vliegveld moet. Voor de gezelligheid loop ik nog eens de plek binnen waar ik nu bekend ben: het reisbureautje. Ik word er vriendelijk begroet door de meisjes, en door de man, die vervolgens zegt:
"Zeg, goed dat je even langs komt. Want moet je horen: het kan zijn dat de vlucht van vandaag wordt geannulleerd."
"Wat zullen we nou hebben?! Dat zal toch wel niet? Ik móet vandaag naar Caracas!"
"Wacht hier maar even. Ik ga even bellen."
Hij verdwijnt naar een achterkamer, terwijl ik nerveus in de winkel achterblijf. Het meisje achter de balie wil me gerust stellen: "Wacht nou maar af. Waarschijnlijk gaat die vlucht echt wel."
Na een minuutje komt de man terug, en vertelt me met een grote glimlach en verontschuldigend enthousiasme: "Noch vandaag, noch morgen zijn er vluchten."
"Wat - echt niet? Wat is er dan aan de hand?!"
"Ze worden aan de grond gehouden voor onderhoud."
"Nou, mooi is dat! En dat konden ze niet van te voren weten?"
"Blijkbaar niet..."
"En wat moet ik nou? Ik moet die vlucht naar Lissabon halen!"
Met een niet aflatende vriendelijkheid vertelt hij me dat het ticket kan worden omgezet in een vlucht voor overmorgen, 5 maart. En de vlucht van Caracas naar huis moet onder deze omstandigheden ook wel gewijzigd kunnen worden. Ik zie dit allemaal niet zo zitten, maar ik weet ook niks anders.
Omdat ik zo gedupeerd ben (en bovendien nu ineens niks te doen heb), nodigt hij me uit voor een lunch in een plaatselijk restaurantje. Het wijzigen van de tickets kunnen we vanmiddag nog wel regelen. Terwijl ik geniet van het stoofvlees en de andere plaatselijke heerlijkheden, kan ik er toch niets aan doen dat ik blijf nadenken hoe ik nou toch nog vandaag in Caracas aan zou kunnen komen. Maar, zo verzekert mijn gastheer me, dat gaat echt niet lukken. Toch maar aan het idee wennen dan: twee dagen langer hier in Puerto Ayacucho. Och, het is een leuk stadje; er zijn slechtere plekken om vast te zitten.
Na de lunch ga ik terug naar Hotel Internacional en boek een kamer voor de komende twee nachten, en ga dan maar weer naar mijn stamkroeg: het reisbureau.
Om de tickets te veranderen moeten we naar een ander kantoortje -ik begrijp er niks van; het zal allemaal wel-, en daarvoor word ik met mijn gastheer bij een collega van hem de auto in gedirigeerd, waarmee we door de stad naar een ander gebouw rijden. Daar aangekomen -het lijkt meer op iemands huiskamer- wordt mij uitgelegd: "Het zit zo: overmorgen gaat er van Aeropostal nog steeds geen vlucht, maar wel van Avensa, de andere nationale vliegmaatschappij."
"O, maar kan mijn boeking dan wel daarvoor geldig zijn?"
"Jaja, geen probleem, geef je ticket maar hier, dan wisselen we het in voor die vlucht."
Ik geef mijn ticket en mijn paspoort uit handen, de beide heren zijn er even druk mee in de weer, en even later krijg ik het weer terug: hetzelfde ticket, met wat geschrijf erop. "Geregeld; alsjeblieft."
"Hè? Maar dit is nog steeds hetzelfde ticket! Kom ik hiermee wel dat andere vliegtuig in?"
"Jawel hoor. Je bent op de passagierslijst gezet. Maak je er maar geen zorgen over dat het nog steeds een ticket van Aeropostal is; dit ticket is nu geldig voor die vlucht van Avensa."
Wat betreft mijn TAP-vlucht van Caracas naar huis: er gaat overmorgen ook zo'n vlucht, om ongeveer dezelfde tijd. Ook hiervan geef ik mijn ticket uit handen. Terwijl de man hiermee bezig is, citeert hij de populaire acroniem-verklaring:
"TAP. Take Another Plane."
Zelden zijn die grappig bedoelde frasen zo toepasselijk (hoewel het natuurlijk niet aan TAP zelf ligt dat ik een ander vliegtuig moet nemen). Ook dit ticket krijg ik beschreven terug, en ik moet er maar op vertrouwen dat het nu allemaal in orde is.
Terug in de auto vertelt de reisbureauman aan zijn vriend dat Nederlands zo'n leuke taal is, en vraagt ten behoeve van het amusement aan mij om te zeggen waar 'KLM' (officiëel) voor staat. Als ik 'koninklijke luchtvaartmaatschappij' uitspreek, liggen beide mannen krom van het lachen om zulke vreemde klanken. Daar kan geen lollige alternatieve omschrijving tegenop.
Ik word afgezet bij het reisbureautje, bedank meneer, en loop weer in mijn eentje door de stad. Ik heb nog meer dingen te regelen. Henk en Gerard zullen nu namelijk vanavond in Caracas mij niet het vliegtuig in zien stappen. Het lijkt me wel zo redelijk ze te laten weten wat er aan de hand is. In een telefooncel bel ik naar het vliegveld van Caracas, en vraag naar iemand van TAP. Ik vraag de betreffende dame of men vanavond op vlucht zo-en-zo, om die-en-die tijd, aan deze twee personen kan uitleggen dat ik de vlucht niet kan halen, maar ik neem een vlucht van twee dagen later. Dat ze zich geen zorgen moeten maken. Hebt u het allemaal? Dit vluchtnummer, deze namen. En dit is mijn naam.
"Ja hoor, maakt u zich geen zorgen, dat komt in orde. Dat geven we door."
Tja, wat kun je doen? Daar moet je maar op vertrouwen.
Nog iets dat ik moet regelen: ik moet geld hebben, want wat ik op zak heb is niet genoeg voor de komende twee dagen. Gelukkig zijn er tegenwoordig, in 1994, geldautomaten bij banken, zelfs in deze uithoek van de wereld. Maar helaas: de automaat van deze bank accepteert mijn Nederlandse bankpas niet. Even aan voorbijgangers vragen: zijn er nog andere geldautomaten in de stad? -Nee, dit is de enige.
Dit gaat lastig worden. Op straat gitaar gaan spelen dan maar? Misschien hoeft dat nog niet. Ik heb ook nog enkele reischeques bij me, overgehouden van mijn reizen in 1987 en 1991, toen geldautomaten nog niet bestonden. Maar om die voor bruikbaar geld in te wisselen moet je in een bank wezen, en het is nu intussen het eind van de middag, en de banken zijn al dicht. En ik zou toch graag iets eten vanavond.
Ik ga een sympathiek uitziend restaurantje in, en bestel een bier. Daar heb nog net geld voor, en komt bier, komt raad, zegt men. Of zoiets. Ik vraag aan de restauranthouder of hij misschien reischeques kan accepteren, en wisselgeld teruggeven. Nee, dat doet hij niet, maar hij weet iemand die dat wel doet. Hij wijst mij de weg naar een hotel-restaurant aan de rand van het centrum, waar de manager wel reischeques inwisselt.
Op zijn aanwijzingen vind ik inderdaad het hotel - op zich al iets bijzonders, als je mijn ervaringen hier drie jaar geleden kent. Een goed teken? De manager is inderdaad welwillend mijn reischeques in te wisselen. In de ruime, grotendeels verduisterde eetzaal van het blijkbaar gesloten restaurant wordt de transactie voltrokken, die op deze manier erg louche aanvoelt. Natuurlijk krijg ik voor mijn cheque iets minder Bolivares dan de exacte omgerekende waarde zou zijn, maar daar maak ik me niet druk om. Ik ben nu immers uit de financiële zorgen voor de laatste dagen van mijn trip. Bovendien lag deze reischeque anders toch maar te verjaren in mijn bureaula.
De hele middag al, vanaf het herinchecken in het hotel, heb ik mijn nieuwe cuatro op mijn rug meegesjouwd. Dit voor mijn eigen vermaak, omdat het toch niks weegt, en een beetje omdat ik dacht dat ik daarmee misschien geld zou moeten gaan verdienen. Terwijl ik aan het eten ben, komt één van de personeelsleden vragen of ik op die cuatro kan spelen. Blij met de gelegenheid pak ik hem uit, en speel voor het personeel van het verder bijna lege restaurant 'Alma Llanera'. Dit is een standaardversje, waar de Venezolanen mee worden opgevoed, en waar ze dus misschien allang genoeg van zouden moeten hebben, maar je kunt ze er toch altijd weer enthousiast mee krijgen. Vooral wanneer het door zo'n vreemdeling wordt gespeeld.
Dit levert mij veel applaus op en een gratis pilsje, en aangespoord door het succes speel ik verder voor het rond de bar gegroepeerde personeel. Mijn hele repertoire aan Venezolaanse liedjes gaat erdoor.
Na afloop hiervan heb ik een aantal vrienden erbij. Gezellig praten we rond de bar verder. De manager vraagt mij: "En je heette dus ... Max?"
"Ja," zeg ik, "Max o menos." Een flauwe woordspeling op 'mas o menos'; 'min of meer'. Dit levert een groot lachsalvo op van het personeel.
"Verdorie; hij neemt je ertussen!" lacht een ober tegen de manager. (Voor de Spaanssprekers onder u: zijn letterlijke woorden waren "Coño; te jodió!")
Een interessant aspect aan deze macho-cultuur is dat je in waarde kunt stijgen door het maken van onschuldige grappen. Wanneer je op iemands vraag met een grap antwoordt, hoe flauw ook, dan heb je die andere even 'in de maling genomen' en ben je even de 'winnaar'. Die andere persoon laat zich dan niet kisten, en pakt je even later op dezelfde manier terug. Maar het gaat erom dat je door mee te doen aan dit spel 'er bij hoort'. En dat een buitenlander hiertoe in staat is, vinden ze helemaal geweldig.
Het was natuurlijk helemaal niet mijn bedoeling mijzelf te bewijzen met deze ontzettend flauwe grap. Ik was alleen maar in een jolige bui. Maar het is meegenomen dat ik daardoor eventjes de 'held' ben en het bijdraagt aan mijn acceptatie.
Er komen nog wat pilsjes, en even later wordt er voorgesteld dat ik met de personeelsleden mee ga stappen in een danstent. Ik stem met graagte toe - wat moet je anders op dit uur van de dag in een stad waar je twee dagen vast zit?
Ik krijg te horen dan we er met auto's heen rijden; we wachten eerst even op een vriend van hen die met een aantal vrouwen hierheen komt. Nu zou ik eigenlijk lont moeten ruiken.
De vriend arriveert, en we gaan allemaal naar buiten. De restaurantmanager gaat niet mee, maar wel het grootste deel van zijn personeel. Buiten is een enthousiaste ontmoeting tussen het restaurantpersoneel en de vrouwen. Ik let daar verder niet zo erg op, want ik sta vooral vreemd te kijken wanneer mij wordt verteld: "Dit is jouw vrouw voor vanavond."
Voor mij staat een klein en bijzonder mooi meisje - maar die twee dingen zijn op zich geen bijzonderheid in Venezuela. Ze ziet er ook heel sexy uit zonder vulgair te zijn, en mijn idee dat dit een leuke avond kan worden wordt geheel overstemd door mijn gedachte wat dit te betekenen heeft.
Ik steek mijn hand uit: "Hallo, hoe heet je?"
"Nairobi."
"Nairobi? Zoals ... ik bedoel ... de hoofdstad van Kenia?"
"Ja."
Veel meer krijg ik er niet uit. Nou ben ik wel gewend aan vrouwen die kortaf tegen me zijn, omdat ze me gewoon niet moeten. Maar dit is anders. Ze blijft een houding hebben van 'zeg iets tegen me', maar geeft verder geen teken van initiatief.
We stappen in de auto -vanzelfsprekend zit Nairobi naast mij- en rijden weg. Tijdens de autorit weet ik niet veel tegen haar te zeggen. Me afvragend wat de bedoeling is, pak ik voorzichtig haar hand, en merk tot mijn verbazing dat ze daar heftig positief op reageert; ze knijpt hard in mijn hand alsof ze daar iets mee wil uitdrukken. Ik vind het nogal een contrast met haar verdere stilte en passieve houding. Maar ja, ik kom dan ook uit een cultuur waar vrouwen zich op eigen initiatief mogen uitdrukken.
Na een korte rit zijn we bij de disco. We stappen uit en gaan naar binnen. Ik geef mijn cuatro in bewaring achter de bar. De disco is bijna leeg -we zijn bijna de enige bezoekers-, en draait harde meringues. Enkelen van mijn gezelschap bevinden zich meteen op de dansvloer en dansen plastic meringues. Traumatische déjà-vu-gevoelens van Curaçao dringen zich op.
Ik zit met Nairobi aan een tafel en voer een wat oppervlakkig gesprek dat nergens toe lijkt te leiden. Als ik voorstel te dansen stemt ze zeer welwillend toe. Ze is wel veel kleiner dan ik, maar dat doet er niet veel toe. Soepel maar gevoelloos bewegen we over de dansvloer, ik met deze mooie en sexy kleine meid, die misschien ook wel heel aardig is, maar waar ik geen hoogte van kan krijgen.
Als we even later weer zitten, krijg ik genoeg van deze poppekast. Ik weet niet wat de bedoeling van deze avond is, maar ik heb sterk het idee dat ik voor de gek word gehouden.
Dus wanneer Nairobi eventjes weg is, sta ik op, vraag bij de bar mijn cuatro terug en wandel naar buiten. Ik begin te lopen in de richting waarvandaan we kwamen met de auto. Die autorit was zo kort dat ik zeker weet dat ik het moet kunnen halen.
Onderweg ben ik zeer tevreden over mezelf, dat ik aan deze belachelijke toestand ben ontsnapt. Er gaat toch maar niets boven degene die jou voor de gek wil houden -wie of wat dat dan ook is- een stap vóór te zijn. En dat Nairobi écht in mij geïnteresseerd was, kun je mij niet wijsmaken, hoe hard ze ook in mijn hand kneep, en hoe close ze ook de meringue met mij danste.
Na een half uur lopen bereik ik inderdaad het centrum weer. Ik drink nog even een pilsje in een 'gewone' kroeg om mijn ontsnapping te vieren, alvorens terug naar het hotel te gaan.
Daar zit ik dan, in het zuiden van Venezuela, terwijl ik al op weg naar huis had moeten zijn. Begrijp me goed, ik red me hier wel een paar dagen extra, zolang ik nog wat geld heb. Maar het raar dat het zo moet lopen.
Henk en Gerard moeten nu al thuis zijn. Ik hoop dat ze mijn bericht doorgekregen hebben, en begrepen hebben dat ik nog leef. Wat zouden ze nu van me denken?
En Annet en Eline, die zijn als het goed is in Ciudad Bolívar, zich aan het verbazen over de machtige weidsheid van de rivier de Orinoco. Zij hebben nog maandenlang de tijd in dit prachtige en gezellige continent. Ik ben daar wel jaloers op; ik had best verder meegewild. Maar zij weten er niets van wat mij nu overkomen is, en denken dat ik al lang en breed terug in Nederland ben.
Als mij nu iets overkomt, is er niemand die weet waar ik ben! Alleen Annet en Eline, die pas over een paar maanden thuiskomen, hebben mij dan het laatst gezien in Puerto Ayacucho ... Laat ik dan maar proberen niet door een giftige spin gebeten te worden, of iets dergelijks...
Ik word vrolijk begroet door de man en de meisjes. Nog nieuws over de vlucht van morgen? Nee, die gaat gewoon, daar is niks mee aan de hand. Ik babbel gezellig nog wat, en dan komt het idee in me op nog één kansje te wagen. Ik heb nog één avond hier; dat geeft me nog een kans de idiote toestand van gisteravond te vergeten. Zodoende vraag ik de mooiste van de twee meisjes, Esther, of ze zin heeft vanavond met mij uit te gaan.
"Ja, natuurlijk; leuk; gezellig," is het enthousiaste antwoord, "ik weet wel een paar leuke tenten om heen te gaan. Hoe zullen we het regelen?"
Om een bepaalde tijd op een bepaalde plaats afspreken lijkt me te riskant. Dus stel ik voor: "Zullen we vanavond bellen?" Ik geef haar het telefoonnummer van mijn hotel.
"Okee, da's goed," zegt ze, "zullen we zeggen: acht uur?"
"Okee."
"Goed, rond acht uur bel ik je daar. Ik moet eerst nog studeren, maar daar ben ik dan wel mee klaar. Tot dan!"
Dat ze haar eigen telefoonnummer niet geeft, is misschien wel een risico. Maar uit eerdere ervaringen met Venezolaanses heb ik geleerd dat zelfs dát niet veel garantie geeft dat je ze te pakken krijgt. Waarschijnlijk maakt het niet veel uit.
"Hee, gringo, kom hier!"
'Gringo' is het woord waarmee in heel Latijns-Amerika (zij het vooral in Mexico) de 'blanken', de 'noorderlingen' worden aangeduid; dit zijn natuurlijk vooral USA-Amerikanen. Het heeft verder een negatieve bijklank, 'gringo' is de ongewenste vreemdeling. (U kent het woord natuurlijk wel uit Amerikaanse western-films. Vertrouw er gerust op dat het woord in Venezuela niet veel positiever is dan hoe de Mexicaanse bandido uit de films het uitspreekt.)
Omdat ik weet hoe onbetrouwbaar zelfs de politie in dit land is, en omdat ik zeker weet dat ze geen reden hebben mij te betrekken bij wat hier dan ook aan de hand is, reageer ik niet, en loop stug door in mijn eigen richting. Vlakbij me zit een groep mensen vol gespannen verwachting naar het tafereel te kijken, en naar mij: hoe zal de gringo reageren? Terwijl ik vlak voor ze langs loop, zeg ik tegen ze:
"Als hij denkt dat ik een gringo ben, waarom praat hij dan Spaans tegen me?"
Groot lachsalvo van mijn toeschouwers. Touché, blijkbaar. Het ziet er naar uit dat ik door een simpele doch rake opmerking dit incident heb gewonnen. Maar ik blijf niet om hulde in ontvangst te nemen. Ik loop door, de omstanders richten hun blik weer op het gebeurende midden op het plein, en ik kom er nooit achter wat er aan de hand was.
Ik ga op mijn hotelkamer zitten wachten, en nog wat cuatro oefenen. Om acht uur wordt er niet gebeld. Goed, dat kunnen we verwachten; we zijn hier in Venezuela. Ik moet haar wel de kans geven flink wat te laat te zijn.
Om half negen is er nog niet gebeld. Nu wordt het wel een beetje vervelend. Als ik nou haar nummer had, had ik zelf kunnen bellen. Nu zit ik maar een beetje mijn tijd te verdoen.
Met nog wat cuatro spelen wordt het snel negen uur. Maar Esther heeft nog steeds niet gebeld. Verdorie, als ik niet uitkijk ga ik nu de hele avond verspillen door te wachten op een meid die toch niet belt. Hoe haal ik het ook in mijn hoofd om daar zo op te vertrouwen?
Ik pak mijn cuatro in, slinger hem op mijn rug en loop naar buiten. Ik vind het mooi geweest zo. Het kan best zijn dat ze nog belt, maar ik ga daar niet de hele avond op wachten. Bovendien kan het ook best zijn dat ze helemaal niet belt. Die verdomde Venezolaanse vrouwen; wat moet je daar nu mee?
Op weg naar een kroeg kom ik langs een woonhuizenblok, waar ergens een keukendeur openstaat en ik zie een familie aan tafel zitten. De familie ziet mij ook, en nieuwsgierig naar die buitenlander roepen ze mij direct naar binnen. Dit is geen politie, en ze zien er volkomen betrouwbaar uit, dus ik ga op de uitnodiging in en kruip door de smalle deuropening de kleine keuken in.
Vader, moeder en twee kinderen zitten na te tafelen. Ze bieden me een pilsje aan en vragen honderduit over waar ik vandaan kom en wat ik hier doe. Ze zien de cuatro die ik bij me heb, en vragen of ik wat kan spelen. Ze willen vooral wat Nederlandse muziek horen. Daar heb ik niet op gerekend: normaal wil toch iedereen altijd 'Alma Llanera' horen? Ik speel het eerste wat me invalt, hetgeen is 'Daan en Marloes' van Brigitte Kaandorp. Een cuatro lijkt immers wel wat op een ukelele. En deze mensen verstaan er toch niets van; het gaat om het horen van mijn rare taal (misschien zou ik "Koninklijke Luchtvaartmaatschappij" op muziek moeten zetten?).
Een hartelijk applaus is mijn deel, en daarna sta ik weer op. De reizende muzikant heeft nog meer bezoekjes af te leggen, ofwel: ik wil niet te lang van hun gastvrijheid misbruik maken. En zouden die kinderen niet ooit naar bed moeten? Ik bedank de familie hartelijk en sta even later weer op straat.
De kroeg waar ik uiteindelijk ga doorzakken is typisch Venezolaans. Hiermee bedoel ik dat zodra ik binnenkom, één van de meisjes die aan de kant zitten, op mij af komt en mij vraagt haar een pilsje aan te bieden. Deze 'animeermeisjes' heb je in bijna elke kroeg in Venezuela. Zolang je ze drank aanbiedt, heb je een 'date'; je mag met ze praten, dansen, etc... Hoever ze willen gaan met hun ter plekke geregelde escorte, weet ik niet; ik heb nooit de neiging gehad dat uit te proberen. Meestal zeg ik ze meteen aan het begin al 'nee'. Ik heb weinig behoefte aan dit soort betaald entertainment.
Maar ik besluit dit nu maar eens anders te doen. Ik heb behoefte aan gezelschap, en let wel, beste lezer: dit is echt geen nachtclub; dit is een gewone kroeg waar men aan de bar bier staat te drinken. Weinig aankleding; het is een beetje een kale schuur. En het meisje ziet er niet overdreven uitgedost uit, ze is gewoon 'gewoon'. Daarbij vraagt ze niet om een of andere extravagante cocktail, ze vraagt om een pilsje.
Dus ik ga met haar naar de bar en vraag voor de zekerheid hoeveel een pilsje kost. Het is een normale prijs, ofwel bijna niks. Ik bestel er twee, en heb meteen haar volle aandacht. Terwijl ze tegen me aanhangt en ik mijn arm om haar heen heb, hebben we een gezellig gesprek. Ze is perfect om deze laatste avond nog een beetje ontspannen en gezellig te maken. Je zou bijna denken dat ze me echt leuk vindt.
Ze drinkt ook lekker door. Het pilsje is snel op, en ze vraagt en krijgt er nog een. En zo gaan we nog even door. Het gesprek en de sfeer worden steeds ontspannener.
Na een tijdje vraagt ze weer om een pilsje, maar ik vind het genoeg geweest. Dus ik zeg "nee", en ze is er meteen vandoor. Op zoek naar een volgende klant.
Tevreden dat ik van deze dienst niet langer gebruik heb gemaakt dan verstandig lijkt, en geen dingen heb gedaan waar ik spijt van zou krijgen, ga ik terug naar het hotel.
Rare toestand toch. Zou dit nou de enige manier zijn om in het uitgaansleven hier enig contact met de andere sexe te hebben? En zijn hier toch ook wel 'gewone' vrouwen, die hun tijd niet voor bier verkopen. Zoals Esther uit het reisbureau. Maar zulke vrouwen krijg je überhaupt niet te pakken, want ze houden zich niet aan afspraken. Behalve dan María in Merida. Wie weet hoe dit hier werkt, mag het mij uitleggen.
De dame van het hotel vertelt me tot haar spijt dat er gisteravond echt niemand voor me heeft gebeld. Goed dat ik daar niet op heb gewacht. Nadat ik betaald heb, geeft ze me als afscheidscadeau nog een mooie tegel met het logo van het hotel.
Ik heb nog een paar uur voordat ik naar het vliegveld moet, dus na een rustig ontbijt ga ik de rest van mijn tijd opmaken in -u raadt het al- het reisbureau.
De man en het andere meisje zitten achter de balie, maar Esther zie ik niet. Zodra ik binnenkom, rent het meisje naar achteren, en roept dat ik er ben. Na twee seconden komt Esther binnen gerend, valt me om de hals en smeekt: "O Max, het spijt me zo dat ik gisteren niet gebeld heb! Ik had zoveel te studeren gisteravond en ik wist niet wat ik moest doen en kun je me vergeven?"
Of haar verhaal waar is weet ik natuurlijk niet, maar dat doet er niet toe. Dat ze zich verontschuldigt, vind ik al heel wat. Zoals gezegd hecht ik daar veel waarde aan. (En misschien ben ik dan toch niet de enige die dat doet. Als zij het zelf zinloos zou vinden, zou ze het immers niet doen?) Ik vergeef haar, maar veel maakt dat ook niet uit. Als ik nog een avond hier had gehad, had ik kunnen voorstellen het nog eens te proberen, maar nu moet ik hier sowieso weg.
We babbelen met z'n allen nog gezellig een tijdje door, tot het tijd voor mij is om naar het vliegeld te gaan. In de deuropening wensen de man en de stageaires mij hartelijk een goede reis. Tussendoor zegt de man tegen mij, in het Engels: "She's crazy, you know."
Esther heeft in de gaten dat het over haar gaat, en vraagt meteen: "Wat, wat, waar hebben jullie het over?"
"Haha, moet je maar Engels leren!" lacht de man haar uit. Het ertussen-neem-met-simpele-grappen-spel is de manier om je staande te houden bij vrouwen die van alles beloven maar niks waarmaken.
Met deze vrolijke noot neem ik dan toch werkelijk afscheid.
Binnen gekomen heeft het vliegveld veel weg van een dorpspostkantoor. Een kaal interieur. De hele businhoud schaart zich in een beleefde rij voor een simpele balie waar het logo van Avensa boven hangt, en waar zich een man achter bevindt.
Terwijl ik in de rij sta, zie ik iets. Boven de balie waar de medewerker van Avensa de mensen aan het inchecken is, hangt een mededeling: "Door redenen buiten onze macht accepteren wij geen tickets van Aeropostal."
Hm, blijkbaar zijn er wel meer problemen met de Aeropostal. Maar dat bericht kan niet voor mij gelden; mijn ticket is omgeboekt naar een vlucht van Avensa. Waarschijnlijk zijn er mensen die, nadat hun Aeropostal-vlucht is geannulleerd, meteen met hetzelfde ticket een Avensa-toestel in willen.
Ik ben aan de beurt. Ik wil mijn ticket aan de inchecker overhandigen, maar hij steekt zijn hand niet uit, schudt 'nee' en wijst op het opschrift achter hem.
Ik laat me niet van mijn stuk brengen, en leg uit: "Ja, maar dit ticket is omgeboekt. Op het reisbureau hebben ze me verzekerd dat dit ticket nu geldig is voor deze vlucht van Avensa."
"Maar het is een ticket van Aeropostal."
"Ja, dat vond ik ook vreemd, maar ik ben op de passagierslijst van deze vlucht gezet, dus dit moet nu geldig zijn voor deze vlucht!" word ik al enigszins nerveus.
"Nee, het spijt me, het is niet mijn beslissing, maar dat kunnen we niet accepteren."
"Ja, wat zullen ze nou krijgen?!" wind ik mij op. "Dit ticket was voor een vlucht van Aeropostal van twee dagen geleden, die werd geannulleerd, en in het reisbureau hebben ze mijn boeking toen omgezet in deze vlucht van Avensa, ze hebben mij op de passagierslijst gezet, dus u móet mij accepteren!"
"Het spijt me meneer, ik kan er ook niets aan doen."
"Nou, dan wil ik uw baas spreken! Dit kan gewoon niet!"
"Goed." De man verlaat zijn post en begeeft zich langs de rij achter mij wachtende passagiers naar een kantoortje achter in de hal. De passagiers vragen zich ongetwijfeld af wat er aan de hand is. Maar lang wachten is geen ongewoonheid in Venezuela, dus niemand windt zich (zichtbaar) op.
Verdorie, denk ik, er zal eens een keer niet een probleem zijn! Hoe kon ik nou ook denken dat het nu geregeld was! Maar ik geef me niet gewonnen; ik zál en móet nu naar Caracas en die TAP-vlucht halen!
De baas van de Avensa-medewerker is uit zijn kantoortje gekomen, en staat nu aan de andere kant van de hal driftig met zijn employé te discussiëren. Andere medewerkers scharen zich er ook bij.
Achter mij in de rij staat een ouder Engels echtpaar. Ik verontschuldig me tegenover hen voor de consternatie en het oponthoud, terwijl ik nadenk over mijn mogelijkheden. Het is belachelijk, maar als het nou écht niet lukt, moet ik misschien een nieuw ticket kopen. Dat zou niet zo heel erg zijn; het is geen rib uit mijn lijf, maar ik heb geen geld meer! En hier in Puerto Ayacucho kan ik nergens geld krijgen. Hoe moet ik dat doen?
Een andere medewerker van Avensa komt naar mij toe en vraagt mij om het ticket. Hij neemt het mee naar achter in de hal, waar intussen het hele personeel van het vliegveld geagiteerd aan het discussiëren is.
Ik vraag aan het Engelse echtpaar of ze eventueel mij 6000 Bolivares (zo'n €100) voor een ticket van deze vlucht kunnen lenen. In Caracas zijn genoeg geldautomaten, daar kan ik het ze terugbetalen. Voor ze gelegenheid hebben gehad te antwoorden, komt de laatstgenoemde Avensa-medewerker naar mij toe, en zegt:
"Het is goed; u kunt mee."
Enigszins in de war doordat het nu toch sneller geregeld is dan ik dacht, doorloop ik de verdere formaliteiten van het inchecken.
Ha! Dat is toch maar mooi gelukt! Zo zie je maar, beste medereizigers, en beste lezers, het is in dit soort landen alleszins de moeite waard, in staat te zijn om in de plaatselijke taal alles overhoop te schreeuwen, om te zorgen dat gebeurt wat moet gebeuren!
In Caracas blijkt wonder boven wonder mijn omboeking in orde. Ik stap 's avonds in het megatoestel, dat mij door een kort nacht heen naar Lissabon brengt, en met een ander toestel kom ik tenslotte op zondag 6 maart in Amsterdam aan.
Op Schiphol bel ik meteen mijn moeder op, want die heeft er misschien van gehoord dat ik op de geplande datum niet terug was, en ik wil haar gerust stellen dat ik er nu wel ben. Ik krijg van haar te horen dat men al is wezen vragen waar ik was. Maar zij was nog niet ongerust, daar was het nog wat te vroeg voor. En ik ben nu al terug voor ze zich zorgen kon gaan maken.
Henk en Gerard vragen zich af wat er met mij aan de hand is. De hele reis naar Lissabon en Amsterdam hebben ze uitgebreid de tijd hierover na te denken. Ze hebben zo veel over mijn depressies gehoord, dat ze niet anders kunnen concluderen dan dat ik nu zo depressief ben dat ik in mijn eentje in de jungle ben gaan dwalen. Waren ze nou maar niet zo lomp tegen mij geweest! Ze nemen zich voor om straks, thuis, overal te vragen of iemand iets weet over wat er van mij geworden is.
En dat doen ze. De volgende dag bellen ze mijn ouders, mijn huisgenoten, en wie ze verder ook maar kennen van mijn vrienden. Niemand heeft iets van mij gehoord. Ze bellen ook met vrienden van Annet en Eline, maar die hebben ook alleen maar net gehoord dat ik een stukje met hen meereisde; of er iets is mis gegaan weten ze niet.
De zoektocht gaat verder. De vraag "weet iemand waar Max is?" wordt verder doorgegeven, en komt terecht bij kennissen van mij die überhaupt niet wisten dat ik naar Curaçao was.
"Heb je het gehoord? Max is vermist."
"Waar is hij naar toe dan?"
"Hij was met vrienden naar Curaçao, maar is nu in zijn eentje door de jungle van Venezuela aan het zwerven. Hij schijnt al weken vermist te zijn."
Nog weken, maanden, na deze datum kom ik mensen tegen die verbaasd zijn mij levend in Nederland aan te treffen.
Voor het geval dat iemand het op dit moment nog niet weet:
Annet en Eline zetten hun prachtige reis voort door Brazilië, Peru en Ecuador. Wanneer ze naar huis bellen, horen ze over de consternatie. Maar omdat ze ook horen dat post, die ik voor hen in Nederland heb gepost, is aangekomen, maken zij zich geen zorgen. Zij vinden het allemaal wel een goede actie, zoals blijkt uit de onderstaande kaart uit Ecuador.
(De namen van Henk en Gerard zijn veranderd om hen te beschermen. De naam van Esther is gefingeerd omdat ik die bij het schrijven hiervan niet meer weet.)