
Vertrek: klasse en champagne - 21/7/6
Ik ben door Yasuyuki Maekawa, een collega uit Japan, uitgenodigd op de PIERS 2006 conferentie in Tokyo. Omdat ik nog nooit die hoek van de aardbol heb bezocht, is dit een mooie gelegenheid om dat land eens te zien - vooral omdat de baas (de Universiteit van Bath) betaalt.
Nara: tempels en hitte - 22/7/6
De stewards en -essen zijn allemaal Fins of Japans. Fijn, we kunnen ons hier in de twee moeilijkste talen van de wereld oefenen. Maar natuurlijk spreken ze ook allemaal Engels. Maar ik heb bij één van de zwartharige stewardessen al een 'arigato gozaimasu' uitgeprobeerd. Het geeft altijd een gevoel van overwinning, wanneer ik voor het eerst iets in een vreemde taal communiceer met iemand, die dat dan verstaat en daarmee bevestigt dat er werkelijk mensen zijn die die rare taal spreken. Maar veel verder dan het bovenstaande en wat simpele dingetjes kom ik voorlopig nog niet, dus ik houd het verder op Engels.
We nemen de trein via Nara naar Kyoto. Aan het loket horen we dat we in Tennoji moeten overstappen om in Nara te komen. Maar als we in de trein stappen zijn we nogal overdonderd door alle Japanse opschriften, en we weten niet hoe te verifiëren dat deze trein wel naar Tennoji gaat. Een dame met een mondkapje voor schiet ons meteen te hulp. Jawel, dit is de juiste trein.
In Nara stoppen we onze rugzakken in een kluis en gaan de stad in. We zijn verbaasd over de hoeveelheid winkeltjes met allerlei kleine .... eh laat ik geen 'rommel' zeggen: spullen. Door het centrum heen komen we bij de bezienswaardigheden waarvoor we hier zijn: enkele pagodes en shrines, en een grote boeddhistische tempel. Maar het is zo heet: 35°, en zo vochtig, dat we niet veel fut hebben om alles te bekijken.
Op de terugweg door het winkeltjescentrum dienen zich onze eerste problemen aan. Ik wil in een boekwinkel een Japans woordenboekje kopen. Aangezien ik nog geen gelegenheid heb gehad geld te halen, wil ik dit met mijn creditkaart betalen. Echter, hiervoor moet ik pinnen, maar de pincode van mijn kredietkaart weet ik niet uit mijn hoofd, omdat ik die nog nooit heb gebruikt! De andere kaart die ik bij me heb, een Visa-electron-debitcard, werkt in deze winkel niet. Hanna schiet me te hulp door cash te betalen. Maar we bedenken dat dit wel eens zou kunnen betekenen dat dat ik helemaal geen geld kan krijgen als ik de pincode van mijn VISA-kaart niet weet, want Visa-electron is allesbehalve universeel geaccepteerd.
We nemen de trein naar Kyoto en checken in in onze ryokan. Een ryokan is een Japanse-stijl hotel, waar de kamers kamerbreed rieten matten hebben -schoenen uit-, de bedden uit dunne matrassen met dekbedden bestaan, en waar verder alleen een lage tafel is, met kussens ernaast, en benodigdheden voor Japanse thee. Overal papieren schuifdeuren. Gelukkig is de badkamer wel westers...!
Kyoto: railpas en kroegenstraat - 23/7/6
Vebazend genoeg heb ik met mijn moeilijke rug toch behoorlijk geslapen op die simpele matras op de vloer.
We gaan langs het station om onze Japan Rain Pass op te halen. Deze treinkaart is alleen voor buitenlanders verkrijgbaar, en moet je daarom vanuit het buitenland bestellen, maar je moet hem in Japan zelf ophalen. De onze gaat morgen in, en geeft ons dan twee weken gratis toegang tot bijna alle Japanse treinen, inclusief de meeste hogesnelheidstreinen, genaamd Shinkansen. Een aanrader voor alle Japan-reizigers!
's Middags lopen we door oud Kyoto heen. In een restaurantje leren we dat yakisoba gebakken boekweitnoedels is, en erg lekker.
In het centrum van Kyoto, parallel aan de rivier, loopt een straatje dat gemiddeld maar zo'n 2 meter breed is, maar hier is alles 's avonds te doen. Het zit helemaal vol met restaurantjes en kroegen, en derhalve ook met mensen. De restaurantjes zitten schots en scheef bovenop elkaar gestapeld. Vaak zie je buiten verschillende menukaarten hangen -meestal alleen in het Japans-, en als je dan hebt uitgezcht welke je interessant genoeg vindt, moet je nog uitvogelen welke deur, gordijn of rode lantaarn erbij hoort. Meestal gaat er één doorgang naar boven, één naar achteren, en één naar beneden, of zo.
Himeji: houtkasteel en verkeersagenten - 24/7/6
We nemen vandaag de Shinkansen naar Himeji. Onze Japan Rail Pass gaat vandaag in, dus dat is dan gratis. Maar het wordt wel aangeraden een (gratis) plaatsreservering te nemen op het station. Dat heeft als bijkomend voordeel dat je meteen weet welke trein je moet hebben... of niet?
Na precies 1 uur in de trein stappen we uit in Himeji, want hier is het mooiste kasteel van Japan. We lopen door het centrum via een winkelstraat omdat daar misschien meer te zien is dan langs de grote weg. Maar we verbazen ons vooral over de hoeveelheid onzinnige frutsels die hier te koop zijn.
We nemen de shinkansen naar Hiroshima - weer precies 1 uur! In de stad nemen we de tram, of moet ik zeggen het sardineblik, naar onze volgende ryokan. Het is zaak goed te letten op de haltes die omgeroepen worden, 'sumimasen' ('pardon') te zeggen bij het wurmen tussen de passagiers door om bij de uitgang te komen, en op te letten hoe anderen betalen. Je moet bij het uitstappen het bedrag in cash in een bakje gooien. Dit is misschien afkomstig van het shinto-ritueel? Moeten we ook klappen, en de bel rinkelen?
Miyajima: apenberg en shinto-baai - 25/7/6
In de ontbijtzaal van de ryokan komt na ons een Duitse jongen binnen, met de kimono van het huis aan. Hij is hooguit 20, maar weet veel meer van Japan dan wij. De gedroogde vis, die we bij het ontbijt krijgen, moet je eigenlijk niet, zoals wij deden, met de twee stokjes in twee handen kapottrekken, maar met één hand kapot duwen. Nou, dat kost wel wat oefening.
We nemen de trein naar Miyajimaguchi en van daaruit de JR-veerboot naar Miyajima (óók inbegrepen in de Japan Rail Pass!). Dit is een pittoresk eiland met een shinto-shrine en mooie heuvels. Herten lopen overal vrij rond.
Na een lekkere kom noedelsoep in een plaatselijk tentje gaan we de grote shrine van het eiland bekijken. Deze ligt aan het strand en bestaat voornamelijk uit een galerij die om een haventje is gebouwd. Het lijkt nogal op een havengebouw, ware het niet dat je het aan de architectuur als Shinto kunt herkennen. Daarbij is het ook helemaal oranje geschilderd; Nederlandse koningsgezinden en voetballiefhebbers kunnen zich thuisvoelen! Maar het schijnt dat oranje een traditionele boeddhistische kleur is.
Terug in het dorpje op het eiland bezoeken we de souvenirwinkels. Ik wil een paar houten lepels kopen die bedoeld zijn om noedelsoep mee te eten. Maar ik wil ze voor een ander doel: ze zijn volgens mij erg geschikt om muziek te maken. De dames van de winkel kijken een beetje vreemd toe wanneer ik verschillende lepels uitprobeer door ze tegen elkaar te tikken. Wat is die rare buitenlander nou aan het doen? Maar als Japanners zullen ze er niet zo snel wat van zeggen, of zelfs maar hun vriendelijke gezicht laten zakken. En daar maak ik dan mooi gebruik van: ik laat me door de glimlach op mijn gemak stellen, en koop na uitgebreide vergelijking twee lepels die mij het beste klinken.
Terug in Hiroshima eten we voor de verandering in een restaurant dat Spaans pretendeert te zijn, maar ook pastagerechten als tapas serveert, en Franse kazen boven de bar uitgestald heeft. De hele aankleding heeft iets van een combinatie van het hele mediterrane gebied. Maar als je bedenkt dat de Chinese restaurants in Nederland meestal Indonesië, en vaak heel Oost-Azië ermee combineren, kun je hier natuurlijk niets van zeggen. En het eten is lekker.
Hiroshima: atoombom en schoolproject - 26/7/6
's Morgens in de ontbijtzaal van onze ryokan komen, als wij uitgegeten zijn (moeilijk hoor, een hele vis met twee stokjes in één hand kapotkrijgen) twee Italiaanse meisjes binnen. Ze snakken naar een ontbijt, met -ongetwijfeld- een espresso. Eén van hen houdt een kopje uit alsof ze dagen in de woestijn heeft gezworven. Helaas, hier is geen koffie, onze theepot is al leeg, en een ontbijt lijkt voor hen niet te verschijnen. Onder het wachten vertellen ze me dat ze net als wij naar het atoombom-museum gaan, en daarna de trein nemen naar Nagasaki. "We doen een bombardementen-toer."
Het atoombom-museum is interessant. Na het bombardement is Hiroshima helemaal herbouwd, en staat nu helemaal in het teken van vrede en geweldloosheid.
We gaan nog even naar de bibliotheek naast het museum om te internetten. Hier komt een Japanse jongen op ons af, die graag even wil praten. Hij wil Engels met ons oefenen. Even later komt er nog een bij. Wij vragen vooral raad over Japans eten, want daar zit nog veel bij wat we niet kennen. Het schijnt dat Okonomiyaki een soort Japanse pizza is, die je geprobeerd moet hebben. Nato is iets met gefermenteerde bonen, en erg klef. Fugu is een vis die rauw giftig is, en de kok moet een vergunning hebben om het klaar te maken. Onze eerste gesprekspartner heeft het één keer gegeten. Is waarschijnlijk ook meer voor de thrill. Culinair bungijumpen. Het is ook heel duur.
We nemen de shinkansen naar Kokura, die weer ongeveer precies 1 uur erover doet. Is dat hier een standaardisatie, dat alle treinreizen 1 uur moeten duren, en worden de snelheden daaraan aangepast? Hoe dan ook, hij is weer verbazend precies op tijd.
Aangekomen in Beppu overvalt mij een vergelijking met een toeristenplaats op een Canarisch eiland: kroegen, speelhallen, andere 'entertainment'-tenten (ja, stel je gerust van alles voor), en winkeltjes met allerlei souvenirs en met vooral gewoon troep. We kunnen onze ryokan niet direct vinden, ondanks een vrij duidelijke kaart. Het blijkt uiteindelijk dat hij zich in een ongeveer 1 meter breed steegje bevindt, dat we niet voor een serieuze straat hadden aangezien.
Op zoek naar een geschikt restaurant lopen we de kleine straatjes vol winkeltjes in. Het wemelt er ook van de rode lantaarns, en andere kleine plaatselijke eettentjes. Het lijkt een keuze te moeten worden tussen dit en de kitscherige toeristenrestaurants. Hanna heeft liever een fatsoenlijk restaurant, maar op mijn aandringen gaan we toch zo'n tentje in, nog net niet een rode lantaarn.
In onze ryokankamer, zittend op de kussens en sake drinkend uit de aanwezige theekoppen, napratend over de vele interessante ontmoetingen vandaag, komt er ineens nog een: er loopt een kakkerlak vanuit de badkamer de kamer in. Ja, dat heb je ook in die subtropische gebieden. Ik maak me niet zo druk erover, maar Hanna heeft nog nooit zo'n grote gezien. De kakkerlak loopt terug de douche in, waarvan we de deur dichtdoen, en de kieren bespuiten met ongedierte-vergif, wat ook in de kamer aanwezig is. Of dat ook maar iets helpt, is natuurlijk maar de vraag.
Beppu: hete bronnen en springtouwen - 27/7/6
Kyushu is een eiland vol vulkanen en warme bronnen. Onze ryokan heeft zodoende ook een warm openbaar bad, maar met dit broeierige weer zitten we daar niet om te springen. We zouden eigenlijk een vulkaan gaan beklimmen, maar daar is het ook veel te warm voor, en dus maken we een toer langs de hete bronnen en geisers die vlak buiten de stad Beppu te bezichtigen zijn. Met een dagpas voor de bus en een passpartout voor de zes verschillende plekken komen we overal binnen.
Terug in Beppu hebben we bij de toeristeninfo gehoord dat er vandaag een Matsuri in de stad is. Dit is een shinto-feest, waarbij de goden op een draagbare shrine van hun plaats worden gehaald om 'uit te gaan'. Ze worden midden in de stad neergezet, waar muziek is en gedanst wordt, en daarna gaan ze weer naar hun vaste shrine terug. Een god heeft ook recht op vertier.
Kyoto: filosofie en muziek - 28/7/6
's Morgens nemen we de trein terug van Beppu naar Kyoto, omdat de reis naar Nikko wat te ver is voor één dag, en we Kyoto te leuk vinden om niet nog een dag door te brengen.
In Kyoto gaan we terug naar de ryokan waar we eerder waren, omdat we daar heel tevreden over waren. De manager met zijn lange haren buigt extra diep voor ons, omdat wij nu stamgasten zijn? Het personeel rent om ons op onze wenken te bedienen, wanneer wij een probleem met ons volgende hotel, in Nikko, willen oplossen met hun telefoon. Dit is toch wel erg charmant, zeker als je bedenkt dat ze geen fooi verwachten, en deze herberg niet eens erg duur is. Misschien heeft het feit dat ik een paar woorden Japans spreek wel geholpen. Maar waarschijnlijk is de belangrijkste factor dat het in Japan gewoon normaal is je klanten fatsoenlijk te bedienen.
's Avonds eten we in de smalle Kyotose straat met al de sfeervolle restaurantjes. We kiezen een tent uit die bij nadere navraag alleen gegrilde kip serveert. Maar dan ook alle delen: je kunt de poten, borst of vleugels krijgen, maar ook de nek, lever, nieren of snavel (of heb ik die laatste nou verkeerd begrepen?).
Nikko: rivier en bergen - 29/7/6
We hebben nog een paar uur de tijd voor we de trein naar Nikko nemen, en gaan daarom naar het Imperial Park, om nog een poging te ondernemen het paleis te zien. De vorige keer dat we dat probeerden was het namelijk zondag, en was het dicht. Aankomend in het park beginnen we pas te bedenken: is het nu eigenlijk wel open? Nu is het zaterdag! Inderdaad: het is alweer dicht.
We nemen de trein via Tokyo, alwaar we een eerste glimp opvangen van deze wereldstad ('wereld' vooral slaande op de afmeting), naar Utsunmiya. Hier stappen we over op een plaatselijk treintje dat ons naar Nikko brengt, recht de bergen in. Doordat in deze trein de banken overlangs zijn geplaatst zie en voel je goed dat je voortdurend een berg op rijdt.
Nikko: mausolea en schaakstukken - 30/7/6
's Morgens blijken toch enkele aspecten aan de Park Lodge tegen te vallen. Het eerste bed op deze trip dat geen dunne matras op de vloer is, blijkt harder dan alle anderen, en ik heb meer last van mijn rug dan ooit. Maar dat is mijn eigen probleem, daar ga ik het personeel niet mee lastig vallen. En het ontbijt blijkt een uitgeklede versie van wat wel eens 'continental' heet: toost met jam, sinaasappelsap, en koffie. Dat is het. Maar we beginnen niet zó snel met zeuren: laten we nou niet de typische Nederlander gaan uithangen.
Terug in de Park Lodge raak ik aan de praat met een Australische familie. De dochter Alex werkt een jaar in Osaka als docent Engels. De ouders zijn een week op bezoek. Het had blijkbaar nogal wat moeite gekost de vader over te halen hun boerderij in de bergen bij Sydney een week achter te laten. Maar ook hij vermaakt zich nu prima hier. Ze zijn al in Tokyo geweest en kunnen Hanna enkele dingen aanraden om te doen als ik op mijn conferentie ben.
Nikko: dromen en watervallen - 31/7/6
Lopend vanaf de Park Lodge naar het dorp komen we langs een glijbaan, die zo'n 100 m, gedeeltelijk gebruik makend van de berghelling, omlaag loopt. Het glijvlak bestaat geheel uit rollers, zoiets als een doorgeefplek voor paketten op een postkantoor. Een schoolklas kinderen is zich hier enthousiast aan het vermaken. In groepjes de glijbaan af, weer omhoog rennen, en weer naar beneden. Het is goed te zien dat ook in dit land, dat consumptie-elektronica tot een nationaal cultuurelement heeft verheven (en en daar nu grotendeels van leeft), kinderen toch plezier kunnen hebben zonder Nintendo, met een zo traditioneel kinderspeeltuig als een glijbaan.
We nemen vandaag de bus die ons van het dorp, op 300 m hoogte, naar een hoogte van 1400 m zal brengen, waar wij een begwandeling gaan maken. De bus klimt voorbij de tempels en shrines hoog de berg op.
We komen achter de berg, en in een vallei eten we brood en kaas uit de zuivelwinkel. De rust hier is balsem voor de ziel. Ook moeten we zorgen dat we wat rust-reserves opbouwen, want vanaf morgen zitten we in Tokyo en is het gedaan met de stilte.
Vanuit hier nemen we de bus terug naar Nikko, en je raadt het al: de Australiërs zitten als enige andere passagiers er in. Samen genieten we van de rit langs de haarspeldbochten weer omlaag. Het heeft in veel opzichten iets weg van een achtbaan: steeds denk je weer dat je uit de bocht vliegt, maar je kunt erop vertrouwen dat de chauffeur weet wat hij doet. Dit is immers Japan.
Tokyo: veel mensen en weinig eten - 1/8/6
Na het karige ontbijt, en voordat we definitief vertrekken, vindt de hotelmanager het nodig dat we één ding van Nikko nog zien. Hij zet ons met zijn auto af op een plek achter het dorp aan de rivier. Hier staan in een lange rij tegen de berghelling aan een heleboel boeddha-achtige standbeeldjes, elk ongeveer 1 meter hoog, op voetstukken. Het opmerkelijkste is dat ze in stijl zijn aangekleed voor een diner of iets dergelijks. Elk standbeeld heeft een rode doek voor zijn borst hangen als een servet, en een rood mutsje op.
Ik ga naar het hotel om me te verkleden en ga richting mijn conferentie. Ik moet het metrostation 'Ochanomizu' hebben, maar met de kaart van het hotel vind ik alleen een treinstation met dezelfde naam. Iets aan de buitenkant geeft me toch de indruk dat de metrolijn hier ook loopt, en ik koop een kaartje bij de automaat. Maar na de ticket gate zie ik toch geen aanduiding van de metrolijn meer. Ik ga het vragen bij de man van de ticket gate, die meteen mijn kaartje afpakt, mij mijn geld teruggeeft, en wijst: 'die kant moet je uit'. Het blijkt dat het metrostation aan de andere kant van de rivier is.
Tokyo: kimono's, thee en wolkenkrabbers - 2/8/6
Zoals mezelf toegezegd ga ik niet naar de conferentie, want Hanna heeft voor mij een sightseeingroute door Tokyo uitgestippeld. We gaan eerst naar Asakusa, waar een groot aantal souvenirwinkeltjes zijn, evenals een grote shinto-shrine. We kopen een koelkastmagneet, die sumoworstelaars laat zien - om te laten zien wat er met je gebeurt als je te veel naar de koelkast gaat.
Buiten, onder deze wolkenkrabber, is een bierfestival aan de gang. Een groot terras, waar de zakenlieden, vers uit hun kantoor, zich kunnen verliezen in een paradijs van bier en allerlei Japanse hapjes. Direct voor de deur van hun gebouw; er is geen ontkomen aan. De vrouw thuis kan onmogelijk verlangen dat ze hieraan voorbij gaan. Alle werkdruk valt samen met de jasjes van de mensen af en iedereen is in een jolige bui. Natuurlijk happen wij ook toe.
Tokyo: conferentie en zakengesprek - 3/8/6
Vandaag is er geen ontkomen aan: ik moet naar de conferentie, want vandaag geef ik mijn eigen presentatie. Bovendien zijn er nog wat andere sessies die ik interessant vind, zoals over predictie van aardbevingen, een 'hot topic' in Japan.
Tokyo: gefrituurde vissen en karaoke - 4/8/6
Vandaag heb ik op de conferentie, ondanks grote hoeveelheden koffie, de grootste moeite mijn ogen open te houden, laat staan de presentaties te volgen. Dit komt natuurlijk vooral doordat ik weer eens te laat ben gaan slapen. Maar ik blijf me as mede-excuus voorhouden dat ook vandaag weer geen van de sessies over mijn vakgebied gaat, dus dat is nou eenmaal moeilijk. Bovendien heb ik mijn enerverende taak gisteren volbracht, dus ik heb alle recht me te ontspannen.
Om 20:00 wordt de tent gesloten en moeten we ons heil elders zoeken. Enkele vrienden van wie ik me de naam nu niet herinner, vertellen hoe ze gisteravond zo'n lol hebben gehad in de achtbaan op de kermis hiernaast, en vervolgens in een karaoke-bar, en hebben wel zin dat opnieuw te doen, en of wij mee willen. Hmmmm.... een achtbaan, net na het eten en een significante hoeveelheid alcohol? Ik weet niet of dat een goed idee is.
Tokyo: winkels en vuurwerk - 5/8/6
Omdat ook vandaag geen programma-onderdelen in mijn vakgebied zijn, en om mezelf een blamage als gisteren te besparen, ga ik vandaag niet meer naar de conferentie. We gaan winkelen voor souvenirs, omdat onze trip bijna ten einde loopt. Bovendien is het zaterdag, en dat is toch meestal mijn winkeldag.
We nemen de metro naar een andere winkelbuurt, op zoek naar muziekinstrumenten. Hier lopen enkele drukke verkeersaders doorheen. Maar de massale mensenstromen kunnen toch gewoon doorgaan via een netwerk van voetgangersbruggen, hoog over de rijbanen heen gespannen. De stad is hier driedimensionaal. Voetgangers, auto's en metrotreinen bewegen zich over verschillende niveau's. De winkelgebouwen zijn hoog, zo'n 10 verdiepingen, met verschillende winkels of -afdelingen op verschillende verdiepingen, zodat je niet eens altijd naar beneden hoeft om te komen waar je wilt zijn.
We gaan vanavond kijken naar een vuurwerkvoorstelling aan de oever van de rivier Edogawa. Hanna had tot nu toe de leiding genomen in de metro's en treinen, maar omdat ze het niet meer trekt, neem ik het nu over. Er was aangeraden zeker een uur van te voren er te zijn om een goede plek te krijgen. Wat dat betreft zijn we aan de late kant, vooral door mijn muziekwinkel-ontdekkingstochten. Maar in tegenstelling tot Hanna zie ik dat niet direct als een bezwaar.
Osaka: pachinko en rode lantaarns - 6/8/6
Goodbye to Tokyo. Morgen vliegen we terug van Osaka dus het is verstandig daar vandaag al heen te gaan. Alles bij elkaar zoeken in het tweekamerappartement dat onze hotelkamer is, neemt nog behoorlijk wat tijd beslag. Het voelt alsof we hier een tijd hebben gewoond. Van de paketten die we hebben gekregen, met pantoffels, eetstokjes-onderleggers en andere dingetjes, weten we het niet helemaal zeker, maar we concluderen toch dat het een cadeau was, want eetstokjes-onderleggers zonder stokjes hebben voor gebruik in een hotelkamer niet veel zin. Dat gaat dus mee. Met alle souvenirs erbij gaat mijn rugzak mij vast en zeker weer rugproblemen bezorgen.
Een vier uur durende Shinkansen-treinreis door het dichtstbevolkte deel van Japan. Het lijkt bijna of alles één grote stad is. Af en toe komt er een rijstveldje voorbij, maar daarna is het snel weer huizen, heel veel huizen.
In een groot warenhuis doen we nog een noodzakelijk laatste-dag-onderdeel: shoppen voor culinaire souvenirs. Dit is hier echter iets moeilijker dan in andere landen. Deze winkel is niet voor toeristen bedoeld. In de gigantische voedselafdeling vol met verkoopeilandjes, elk in een voedselonderdeel gespecialiseerd, zijn alle opschriften enkel en alleen in het Japans. Ook al pak je de produkten in je hand, je weet nog niet zeker wat het is. Ook ons woordenboek en onze reisgids bieden geen soelaas, want die geven namen in Japanse spreektaal. Ook de kanji staan er hier en daar wel bij, maar hoe zoek je daarin iets op?
Terwijl Hanna gaat slapen ga ik een afzakkertje drinken in een rode-lantaarn-kroeg tegenover ons hotel. Het is een kleine schuur in een zijsteeg. Zonder die opdringerige rode lantaarn, bijna net zo groot als de tent zelf, zou je het niet als kroeg herkennen. Binnen wordt de helft van de ruimte ingenomen door de kwartcirkelvormige bar. Hierachter, temidden van de walmen die opstijgen van de bakplaat, staat de kok, ongeschoren, in onderhemd, en zo breed dat je er absoluut geen moeilijkheden mee wilt. Dit is duidelijk de lokale sociale ontmoetingsplaats. Aan de bar, en aan het enige tafeltje, zitten enkele mensen geanimeerd te discussiëren. En daar hoort behalve drank ook iets te eten bij.
Vertrek - 7/8/6
We proppen de laatst gekochte souvenirs nog bij onze bagage, en sjouwen terug naar het treinstation.
Hanna gaat ook mee, en in haar drang om dingen te plannen heeft ze goedkope aanbiedingen gezien vanuit Helsinki naar Osaka (háár vlucht wordt tenslotte niet door mijn baas betaald). We gaan dus via Helsinki en Osaka naar Tokyo. Ik vertrouw er maar op dat als de prijs laag genoeg is, mijn baas geen vragen stelt over deze onlogische route. Hoewel, onlogisch? Helsinki ligt wel ongeveer op een rechte lijn van Engeland naar Japan.
De vlucht Helsinki-Osaka met Finnair heeft iets nieuws: je kunt per internet van te voren inchecken. Dit zou tijd moeten schelen op het vliegveld. Blijkbaar kan dit vanaf 24 uur vóór vertrek, dus loggen wij de dag voor vertrek in op de website. Als wij proberen onze stoelen uit te kiezen, blijkt het hele toestel al vol te zitten, op twee stoelen na: één helemaal voorin en één helemaal achterin. Zouden werkelijk alle andere reizigers al zo prompt van deze nieuwe service gebruik hebben gemaakt? Het lijkt nogal ongelooflijk.
Hanna stelt voor om nu niet in te checken: er is misschien iets mis, en we hebben in ieder geval niets te verliezen; we kunnen toch geen slechtere plaatsen krijgen dan deze. Ik twijfel daar nog aan: het zou nog kunnen dat het toestel overgeboekt is, zodat we helemaal niet mee kunnen. Ik vertel haar verhalen over hoe dat in Nederlandse chartervluchten wel eens gebeurt, maar zij is ervan overtuigd dat Finnair zoiets niet doet. Uiteindelijk checken we niet online in, want ik geef toe dat het wel heel waarschijnlijk uitziet dat er iets mis is.
Aankomend op Helsinki-Vantaa airport zien we een gigantische rij mensen door de hele vertrekhal heen staan. Fijn dat we gelijk al het gevoel krijgen dat we aan het reizen zijn: we moeten eerst enkele kilometers met al onze bagage stapvoets in een lange rij door de vertrekhal afleggen.
Bij het inchecken blijkt dat er helemaal geen plaatsen beschikbaar zijn voor ons, maar we mogen wel mee. Fijn; betekent dit dat we de hele vlucht mogen blijven staan, of op het toilet zitten? Misschien mogen we bij de stewardessen zitten, of in de cockpit? Zoiets wordt niet gesuggereerd, maar onze stoelen staan op 'standby', wat dat dan ook moge betekenen, en zullen bij de gate worden toegewezen. Vreemd allemaal, maar in de wetenschap dat ze met de geldende veiligheidsvoorschriften nooit iemand in het toestel zullen toelaten zonder fatsoenlijke zitplaats, wachten we rustig af.
Bij de gate wordt Hanna steeds nerveuzer, maar dat heeft niks met onze stoelen te maken; dat is voor haar normaal als we gaan vliegen.
De dame bij de gate vertelt ons uiteindelijk dat we één stoel kunnen krijgen in de economy class, en één in business class. Hoewel dit ook niet ideaal is, kunnen we geen 'nee' zeggen.
Even later, vlak voor het instappen, komt ze met nóg een wijziging: er was iemand die niet in business class wilde. Zodoende zitten we nu allebei business class! Kijk eens aan: het loont om niet in te checken!
In het toestel zijn onze stoelen bijna, niet helemaal, naast elkaar. Maar hoewel naast Hanna een man zit die duidelijk alleen is, durven we niet te vragen of hij met mij van plaats wil wisselen. We hebben tenslotte al veel te veel voor niks gekregen: we hebben een spotprijs betaald, waarschijnlijk minder dan de meesten die in de economy class zitten, en worden nu als vorsten bediend.
Bij vertrek krijgen we een glas champagne aangeboden. Dit schijnt normaal te zijn in de business class, maar wat is het punt hiervan? Moeten we vieren dat we hier zitten, meer beenruimte hebben, en beter behandeld worden? Moeten we versterkt worden in het gevoel dat we van een betere stand zijn dan het gepeupel in de zaal achter ons? Misschien is het dan nog het beste dat we even met z'n allen in de deuropening gaan staan met glas in hand, en met hete aardappel in de keel gaan staan lachen om het ongeletterde janhagel, dat zich geen plaats kan veroorloven met voldoende elleboogruimte om comfortabel te eten? Wat dan ook, de champagne geeft mij van te voren al een bittere nasmaak, en ik sla het glas af.
We hebben ons eigen entertainment-center (goed, dat is niet zo bijzonder, dat had Singapore Airlines in de economy class), het eten is prima, en we kunnen kiezen uit een Fins en een Japans menu, en uit verschillende uitstekende wijnen. De stoelen kunnen in alle richtingen versteld worden, zodat je desnoods helemaal languit kunt slapen. Fijn, maar ik kan er niets aan doen mij af te vragen waar al deze verwennerij goed voor is. Betalen deze mensen dan zo graag astronomische bedragen voor een vlucht, alleen om zich in de watten te laten leggen en eraan herinnerd te worden hoe 'belangrijk' zij zijn?
Aan de andere kant kun je bedenken dat vliegen een extreem vervuilende vorm van vervoer is, die per reizigerkilometer verreweg de grootste bijdrager is aan het broeikaseffect, en dat een 'gewoon' vliegticket alleen zo belachelijk goedkoop is omdat over kerosine nog steeds geen brandstofheffing wordt betaald. De business-class-reizigers zijn dan de enigen die misschien een eerlijke prijs betalen voor de vervuiling die zij veroorzaken. En voor die prestatie mogen ze best een beetje beloond worden.
Maar de gemiddelde business-class-passagier -waarschijnlijk voornamelijk directieleden, die hun bedrijf laten betalen voor hun ticket, maar zorgen dat het lagere kader dat privelege niet krijgt- zal wel nooit over het milieu nadenken. Wat mij betreft: ik heb zowel om persoonlijke als om milieuredenen een hekel aan vliegen, en deze verwennerij kan daar niets aan af doen. En in de languit gestrekte stoel slaap ik niets beter dan in een economy-vliegtuigstoel.
Uitstappend merken we op Osaka-kansai Airport nog niet veel van de drukte van dit land. Het vliegveld is heel ruim opgezet. Bij de pascontrole vraagt de dame mij waarvoor ik in Japan ben:
"Vakantie en werk."
"Wat komt u voor werk doen?"
"Ik ga naar een conferentie in Tokyo."
"Tokyo? Maar ... dit hier is Osaka, weet u dat wel?"
Wat denkt ze; dat ik ga roepen: 'O jee, dan heb ik het verkeerde vliegtuig genomen!' of: 'Is dat niet hetzelfde dan?'?
Ze verontschuldigt zich voor haar mondkapje. "Ja, dat is iets typisch Japans. Ik ben verkouden, en dan word je geacht een mondkapje te dragen." Maar ze doet het wel af om met ons te praten. Waar komen we vandaan enz. enz.
De trein hangt vol met reclame. Daar zijn hier duidelijk niet veel wettelijke beperkingen aan. Met al die voor ons onleesbare kanji-karakters geeft dat wel een fleurige versiering.
Kansai Airport ligt op een kunstmatig eiland voor de kust bij Osaka. De trein begeeft zich al snel op een brug, via welke wij naar het vasteland van Japan toe rollen. Zo arriveren wij uiteindelijk toch over het water in Japan. Een indrukwekkend uitzicht, met huizen zo ver als je links en rechts kunt zien, maar vooruit, heel ver, de bergen oprijzend uit het land, groot, groen, onbewoond, en waarschijnlijk onbedwingbaar.
In deze hoek van Japan is alles één grote stad. Zodra de trein op het vasteland is, reizen we door een zee van huizen via Tennoji naar Nara.
In de vijver in het centrum zitten zoveel schildpadden, dat de duiven geen plaats voor zichzelf hebben en op de rug van de schildpadden zitten. Herten lopen overal vrij rond, zo veel dat ze niet meer leuk zijn. Ze bedelen om eten bij de toeristen, maar ik betwijfel of ze dat nodig hebben. Zouden ze getraind worden om dat te doen, omdat mensen dat zo aandoenlijk vinden?
De grote boeddhistische tempel is wel indrukwekkend. De rituele drinkfontein voor de deur komt vooral met dit weer goed van pas. Zoals met alle shrines en tempels moet je je schoenen uitdoen om binnen te komen. Binnen zit een kolossaal boeddhabeeld, zo'n 10 meter hoog, tevreden op zijn lotusblad. Het lijkt vreemd dat zo'n gigantische beeld zit opgesloten in een tempel waar hij net in past, maar het feit dat je hem alleen van dichtbij kunt zien, en dus omhoog moet kijken, draagt veel bij aan het effect. Toch heeft Boeddha geen 'overheersende', maar een ontspannen houding. Zijn handen duiden 'geven' en 'ontvangen' aan. Ik zo hier bijna spontaan boeddhist van worden, zo indrukwekkend.
Boeddha-tempel in Nara
Hanna windt zich hier meteen over op: ik zit nu diep in de shit, ik had eraan moeten denken hoe ik geld zou kunnen krijgen. "Alwéér vergeet die Max iets belangrijks!"
Zelf zie ik dit niet als een onoverkomelijk probleem: "Ik ga gewoon naar een bank en dan moet het toch gek lopen as ik met mijn creditcard, paspoort en handtekening geen geld krijg!"
Maar ik stoor me eraan dat Hanna zich zo opwindt, en deze onenigheid overschaduwt meteen het oorspronkelijke probleem. De hitte draagt ook duidelijk bij aan een gebrek aan verdraagzaamheid. Dat blijkt wel wanneer bij een koffie in een geairconditiond café de gemoederen bedaren.
De kamer in de ryokan, Kyoto
De manager is een prachtig type om te zien. Zijn lange haren wuiven terwijl hij diep voor ons buigt. Wij worden als vorsten behandeld. Wanneer we weer naar buiten gaan, buigt hij weer diep voor ons, en ik weet niet of ik dat terug moet doen. Zou dat dan lijken of ik de draak met hem steek? Het blijft bij een knik, een beetje halfslachtig tussen wel een geen buiging. Maar ik zeg in ieder geval zo veel mogelijk 'arigato gozaimasu', wat als het goed is beleefd overkomt.
Zoekend naar een geschikt restaurant komen we langs het postkantoor. Daar blijkt dat de geldautomaat daarvan wél mijn Visa-electron-kaart accepteert, en ik kan dus wél geld krijgen, afgezien ervan dat de automaat nu, 's avonds, gesloten is. Ha! Zie je wel dat alles toch goed komt?
De meeste restaurants hebben de menukaart buiten alleen in voor ons onbegrijpelijke kanji-karakters. Gelukkig gebruiken ze wel onze cijfers, en we gaan dus maar één binnen waar in ieder geval de algemene prijzen goed lijken. Ook binnen hebben ze alleen menukaarten in het Japans, en ook het personeel spreekt maar enkele woorden Engels. Maar we wagen de gok.
We gaan aan de bar zitten. De ober achter de bar heeft een restaurant-woordenboek. Via veel aanwijzen in dit boek ontstaat het volgende gesprek.
"OK, wat willen jullie?"
"Eh... vis?"
"Goed; hoe klaargemaakt?"
In de lijst met kookwijzen wijzen wij op 'gestoofd'.
"Dat kan dan alleen deze vis zijn." (welke vissoort dat is, is ons onduidelijk.)
"Goed."
"En, groenten?"
"Eh... salade?"
"Salade? OK, het komt eraan."
Wat er vervolgens komt is precies dat. Ieder een bord met een hele gestoofde vis, waarschijnlijk zeebaars, in sojasaus, een kom rijst en salade. Het lijkt net of er de draak met ons gestoken wordt. Maar de vis blijkt geweldig te smaken! Alleen valt het niet mee zo'n hele vis met de stokjes kapot te krijgen. Wij verdragen de ongetwijfeld geamuseerde blikken van de ober, en hopen dat het duidelijk is dat het ons echt goed smaakt.
Met mijn gebrekkig Japans vraag ik nog of ze groenten in het zuur hebben, waarvan ik weet dat het een gebruikelijk tussengerecht is. Dat komt meteen. Hm, deze methode werkt blijkbaar ook!
Uiteindelijk zijn wij helemaal tevreden, en verrast dat de rekening ook nog meevalt. Waar is dat dure Japan, waar men het over heeft?
Terwijl Hanna gaat slapen ga ik nog een kroeg in met het Japans lesboek, wat woorden doornemen. De obers vragen me wat ik aan het doen ben, en waarom. Weten zij veel hoe waardevol het kan zijn in Japanse restaurants, als je een beetje de taal kent!
Als we naar buiten gaan weet ik in het Japans te zeggen: "Hoe is het weer?" Een relevante vraag, want het blijkt te regenen. De zomer is toch nog niet helemaal aangebroken. De manager wijst op de grote voorrraad paraplu's die ze te leen hebben; men is er op voorbereid! Maar wij ook: we hebben onze eigen paraplu bij ons.
Na het ontbijt gaan we naar het Imperial Park om te ontdekken dat het Imperial Palace vandaag (zondag) gesloten is. In het park ernaast bezoeken we wel het Shogun-huis. Zeer indrukwekkend te zien hoe deze regionale heerser leefde. Je komt helemaal in de sfeer met de houten schuifdeuren, rieten matten en wandschilderingen van natuurtaferelen. Bijzonder zijn de 'nachtegaalvloeren': alle vloeren zijn speciaal zo geconstrueerd dat ze piepen als je erop loopt, zodat geen rivaal ooit de Shogun ongemerkt kon besluipen. De allerachterste kamer is het meest privé: het slaapvertrek, waar niemand ooit mocht komen buiten de Shogun en zijn uitsluitend vrouwelijke dienaren.
Een regenachtige dag in Imperial Park, Kyoto
Wij zouden de passen moeten ophalen op het station van Kyoto, dus daar gaan we heen - dat lijkt simpel zat, nietwaar? Maar bij de loketten aangekomen is het er een helse drukte van mensen die gewone treinkaartjes aan het kopen zijn. Het lijkt erop dat we deze loketten niet moeten hebben. Maar waar zouden we dan moeten zijn? Verward speuren we om ons heen of we een opschrift zien dat we snappen en iets met abonnementen te maken heeft.
Voordat we de kans gekregen hebben iets ergens te gaan vragen, vraagt een Japanse zakenman van middelbare leeftijd, in net pak en aktentas, of hij ons verdwaalde toeristen kan helpen. Als wij de reserveringsbewijzen van de Japan Rain Pass laten zien, weet hij het meteen. "Kom maar mee."
Ons gebarend dat wij hem moeten volgen loopt hij snel de stationshal uit en het aangrenzende winkelcentrum in. Laverend tussen de mensenmassa's door hebben we de grootste moeite hem in het vizier te houden. Midden in een groot warenhuis vraagt hij iets aan een winkelbediende, en gaat vervolgens de roltrap op. Op de bovenverdieping gaat het verder, door de krioelende mensenmassa heen, het warenhuis uit, en even later zijn we weer in het stationsgebouw, één vloer boven waar we daarnet waren. De man wijst ons: "Hier moeten jullie zijn", bij een loket dat inderdaad duidelijk de Japan Rail Pass uitgeeft.
Nadat we de man hartelijk bedankt hebben is hij weer snel verdwenen, want hij had hier duidelijk niet te veel tijd voor.
Dit land blijft ons voorlopig zeer verbazen. Waarom is die voorziening voor buitenlanders niet duidelijk in het Engels aangegeven? Waarom is die zo diep verstopt? Is daar geen handiger weg heen, binnendoor in het station? Maar vooral: hoe komt een zakenman zonder te veel tijd, erbij om verwarde toeristen te helpen door het station en een warenhuis helemaal door te lopen om ze te wijzen waar je de Japan Rail Pass kunt krijgen?
We krijgen zonder verdere problemen onze passen, en gaan de stad weer in.
In een shrine die uit verschillende delen bestaat die om een plein gegroepeerd zijn, zit een man in kimono op een podium te zingen en te spelen op een soort luit. Hij slaat de snaren aan met een buitensporig groot driehoekig plectrum. Ik schaar me op de banken bij het publiek. Het klinkt erg mooi, ik heb alleen geen idee of dit een religieuze betekenis heeft, of puur een concert is. Even later neemt een vrouw zijn plaats in, aangekondigd door een presentator. Gelukkig, het gaat dus gewoon om de muziek, en ik heb me nog niet op heilige grond begeven. Je weet immers maar nooit wat de plaatselijken daarvan vinden.
Het weer wás redelijk, maar als we door de straatjes van oud Kyoto lopen, wordt het toch weer regenachtiger. De regen maakt de donkerbruine huizen nog donkerder, en het geheel nog sfeervoller, alleen helaas ook minder prettig om rond te hangen. We bezoeken nog een paleis van een keizer, en dan gaan we terug naar het centrum.
Oud Kyoto
De menukaart die wij uitkiezen hoort bij een gang die helemaal naar achter doorloopt, vervolgens een trap op, en dan moet je je schoenen uitdoen. We gaan op kussens aan de lage tafeltjes zitten en bestellen met redelijk vertrouwen van alles, want deze menukaart bevat Engelse vertalingen (daar hadden we hem ook op uitgekozen). Het eten is ook hier prima en ook met de stokjes raken we wat meer bedreven. Zo worden we al wat zelfverzekerder.
Restaurant in Kyoto
Ik breng Hanna naar bed en ga terug naar de straat waar het te doen is. De kroeg 'A-bar' is er duidelijk op gericht dat mensen elkaar ontmoeten. Er zijn alleen een paar lange tafels, zodat je bijna onvermijdelijk er een deelt met andere mensen.
Aan mijn tafel zit een Amerikaanse man en twee Japanse meisjes. Hij is enthousiast met hen aan het praten in een mengsel van Engels en Japans. Het lijkt er alleszins op dat hij ze aan het 'opchatten' is, en daar moet ik hem maar niet bij storen. Toch raken we aan de praat. Hij heet Eric, hij woont al 30 jaar in Japan, het ene meisje is zijn dochter, die nu in Hawaii woont -kunt u het nog volgen?- en de andere een Japanse vriendin van haar.
Omdat de kroeg om 24:00 sluit gaan we met z'n allen naar een andere. Dit is een rock'n'roll-tent, helemaal in de stijl van de 60- en 70-er jaren muziek. Elpee-hoezen aan de muren en op de achterkanten van de menukaarten. The Who en The Rolling Stones uit de luidsprekers. Prachtig. Waarom moet ik helemal naar Japan toe komen om nog zoiets te vinden? Ik voel me helemaal in mijn element, en breng de rest van de avond door Sapporo-bier drinkend, samen met een Schot, een Amerikaan en een Fransman. Dit klinkt als de setting van een mop, en moppen tappen doen we dan ook de meeste tijd, buiten enkele zeer interessante discussies over klassieke muziek, want de Amerikaan en de Fransman zijn klassieke musici. Het is alleen allemaal niet erg Japans meer.
De reservering die wij regelen is voor een trein die over 10 minuten vertrekt. Omdat we weten dat de treinen hier precies op tijd vertrekken, haasten we ons naar het perron. Maar welk perron? Uit het bord met vertrekkende treinen, van 20 perrons, raken we niet direct wijs. Wat is eigenlijk de eindbestemming van de trein die in Himeji stopt? Ik denk het te weten en we snellen ons naar het perron. Maar vlak voor we instappen bedenken we dat de vertrektijd van deze trein niet precies klopt met wat op onze reservering staat. Toch niet dan?
Op de borden staat geen trein die precies om onze tijd vertrekt. En nu hebben we nog maar 5 minuten, dus we kunnen nu wel vergeten dat we nog de goede plek vinden. Pech. Nou ja, de volgende trein dan?
Ik loop terug naar de suppoost bij de ticket gate, en laat met een vragend gezicht mijn reservering zien. Hij wijst meteen waar we heen moeten: voor de shinkansen moet je in een apart deel van het station zijn. Wij snellen erheen, en halen wonder boven wonder nog de trein die we wilden halen!
Japan is 1) een krioelende mensenmassa, waar 2) alles zonder zichtbare problemen gesmeerd en precies op tijd loopt. Dit is op zich al een schijnbaar onmogelijke combinatie. Maar de stress die daar volgens ons onvermijdelijk mee gepaard moet gaan, is nergens te bespeuren. Men ziet kans om buitenlanders, die overdonderd door de massaliteit en de gekke kanji-karakters, het niet meer kunnen volgen, kalm en vriendelijk te helpen. En als je dan weet waar je wezen moet, en je loopt met de stroom mee, sta je ook binnen een minuut op de goede plek, en haalt je trein zonder klem te raken tussen de deur.
De shinkansen, Kyoto
Himeji is de enige plek waar Will Ferguson onze route kruist. Toen ik zijn boek las, kon ik me het niet voorstellen: een kasteel van hout? Hoe kan dat nu de indruk wekken van een versterkt verdedigingsbolwerk? Nou, dat doet het wel. Van buiten ziet het er prachtig uit, wit in plaats van de grijze Europese kastelen, en met de air van een paleis boven op een rots. Als een bloem die uit de rots groeit. Van binnen is alles gericht op verdediging. Schietgaten, verschillende verdiepingen met afsluitbare trappen, overal plaatsen waar wapens bewaard kunnen worden. Elke hogere verdieping is kleiner.
Het is opvallend hoe de Japanners een verdedigingswerk met gracieuze architectuur konden verenigen, terwijl de Europese kastelen altijd majestueus maar ook zwaar, log moeten zijn.
Het houten kasteel in Himeji
Terug in het centrum eten we in een restaurantje een 'set lunch', voor -alweer- geen geld.
Op de weg naast het restaurant staat een vrouw met reflecterend vest en helm, vol overgave met twee vlaggen te zwaaien, alsof er vliegtuigen naar landingsbanen moeten worden geleid. Even later zien we pas dat er nog twee mannen naast haar staan die hetzelfde aan het doen zijn. Dit blijkt allemaal verband te houden met het feit dat een rijstrook tijdelijk is geblokkeerd door werkzaamheden. Zij moeten het verkeer van deze rijstrook af geleiden. Aan het begin van het straatje staat nog een man al voorwaarschuwingen te geven, alsof het anders nog niet duidelijk genoeg is.
Dit doet ons eraan denken: overal zie je erg veel schoonmakers en ander onderhoudspersoneel rondlopen, die er vol overgave voor zorgen dat alles er hier zo netjes uitziet als het doet. Japan heeft dan ook een lage werkloosheid. Blijkbaar doet een Japanner liever dit soort werk, en dan nog goed ook, dan werkloos thuis te zitten, in tegenstelling tot ons westerlingen. Het lijkt overdreven zoveel personeel in te zetten om verkeer van een doodlopende rijbaan af te geleiden, maar de werklust toont wel de betere mentaliteit van de Japanners dan de onze.
Als ik in het restaurant naar het toilet ga, zie ik een urinoir achterstevoren in de grond gemetseld zitten. Nadat ik heb vastgesteld dat ik op dit uur van de dag nog niet zó dronken kan zijn, ga ik denken dat de bouwvakkers dat waren toen ze dit plaatsten. Echter, later op onze trip zullen we nog veel vaker deze constructie zien, waaruit blijkt dat dit een 'normaal' Japans toilet is. Het nut van deze vorm ontgaat mij, tenzij ze graag een geciviliseerde vorm van een Frans hurktoilet willen maken...?
De ryokan 'Sansui' heeft veel weg van een Engelse B&B: het is een omgebouwd woonhuis. In het krappe halletje je schoenen uitdoen met de rugzak nog om is een beetje lastig, vooral als je wilt uitkijken dat je niet de snuisterijtjes op de kast omver stoot. De kamer is zoals een ryokan hoort te zijn: matten op de vloer, simpele matrassen, thee. Ook kimono's worden bij het beddegoed geleverd. Badkamer en toilet zijn op de gang: wat dat betreft zijn we weer in een B&B.
We gaan de stad in, en gaan eten in een groot restaurant met allemaal hoekjes, waar je min of meer privé kunt zitten. De menukaart hebben ze hier wat eenvoudiger opgelost: die bestaat uit foto's van alle gerechten. De namen staan er in het Japans bij, maar daar storen we ons niet te veel aan. Zo kun je gewoon alles aanwijzen wat lekker uitziet. Dit kan al gauw ervoor zorgen dat je te veel bestelt.
We bestellen een hele reeks gerechten. Achteraf kiezen we nog wat cocktails uit, waarbij we wel proberen uit de omschrijving en het woordenboek wijs te raken wat erin zit, maar vooral op de kleur op de foto letten. Verzadigd rekenen we af, en nóg blijkt de rekening heel erg mee te vallen. Hoe kan dit?
We zijn te moe en te bezweet om nog naar een kroeg te gaan, en daarom kopen we in een supermarkt bij wijze van after-dinner drink een fles sake, Japanse rijstwijn. Al de flessen in de drankenafdeling hebben mooie kanji-karakters, maar wat betekenen ze? Alweer met een klein beetje hulp van een woordenboek, maar vooral met behulp van mijn geweldige vaardigheid in de Japanse spreektaal, waarmee ik aan de kassabediende weet te vragen: "Is dit sake?", komen wij aan een fles.
Na een douche in de ryokan trekken we de kimono's aan, gieten de sake in de voor de thee bedoelde koppen, en fotograferen elkaar in Japanse setting. Een kimono draagt toch echt bij aan het genieten van sake, en aan het relaxen na een vermoeiende dag.
Sake is het lekkerst in kimono
Hij zou graag zo'n elektrische rijstkoker kopen als ze hier gebruiken, maar het probleem is de verkeerde netspanning. Als hij hoort dat ik elektrotechisch ingenieur ben, vraagt hij of ik dat zou kunnen ombouwen. Nou, vast wel, maar dat kan iemand anders ook wel.
Is zo'n machine dan zoveel beter dan rijst koken in een pan?
"Jazeker, heb je ooit zelf de rijst zo plakkerig gekregen?"
Nee, maar dat vind ik ook niet zo belangrijk. Vreemd, in Europa mag rijst juist helemaal niet plakken, wat ik ook weer onzin vind, en hier moet dat juist zoveel mogelijk. Het zal wel. Maar bij het eten met stokjes is het natuurlijk wel handig.
Weliswaar ontbrak koffie in dit ontbijt, maar lopend naar het station vinden we al snel een automaat die een heerlijke ijskoffie biedt. Deze automaten staan op elke straathoek; dit is een perfecte openbare service.
We besluiten eerst de 500 m hoge Mount Misen te beklimmen, en, om wat meer te zien, daarbij niet de kabelbaan te nemen (die hier in het engels 'ropeway' heet), maar het wandelpad. We moeten eens wat aan sport doen. Maar het is een behoorlijk hete, kleffe dag, en zo'n beklimming gaat je niet in je kouwe kleren zitten, maar in je hete natte zweterige.
Bij een soort dam in een rivier kijk ik naar een hert aan de overkant. Ineens zie ik op enkele meters afstand iets liggen wat op een opgerold stuk dik touw lijkt. Maar omdat Japanners nooit iets ergens laten liggen, moet het hier om een slang gaan. Even later heeft hij mij ook gezien.
Een zenuwachtige fractie van een seconde...
Ik weet natuurlijk niet of hij giftig is, maar het lijkt me niet het risico waard hier achter te komen. Ik draai me om en ga, zolang hij nog niet boos is, haastig verder langs het wandelpad. Ik stamp vanaf hier flink met mijn sandalen, om alle slangen lang van te voren te laten weten dat ik er ben. Maar dat maakt de beklimming wel extra vermoeiend.
Bijna bij de top staan enkele kleine shinto-tempels met vlaggen, en in één brandt Kiezu-no-hi, een heilig vuur dat al 1200 jaar brandt. Boven dit vuur hangt een grote ketel te koken. De rook van het vuur verspreidt zich om het tempeltje heen. Een boel crickets, dezelfde beesten die we vaak in bomen zien zitten en die een afgrijselijk geluid maken, vliegen hier in allerlei richtingen rond, bedwelmd door de rook, en botsen regelmatig ergens tegenaan.
In een ander tempeltje staat een altaar met versieringen zoals ze meestal in de shrines te zien zijn. Ik trek mijn sandalen uit en ga binnen. Ik meen intussen zoveel van de kanji-tekens te verstaan dat ik snap dat een wierrookstokje ¥20 kost en waar ik dat bedrag in moet stoppen. Ik steek een stokje aan, steek het in het zand in de pot vóór mij, en zit neer in een moment van rust op het kussen. Ik denk over de toestand in de wereld - voor wie dit veel later leest: de kranten staan vol over geweld in het Midden-Oosten, maar ja, is dat nog nieuws? Omdat ik niet weet hoe je in het Shinto-geloof moet bidden, doe ik een gebedje zoals ik ze heb geleerd in mijn eigen katholieke opvoeding. Want God staat boven de religies, daar geloof ik heilig in.
Verder naar de top. Om rotsen heen klauterend staan we af en toe ineens weer oog in oog met een hert, maar niet meer met slangen.
Op de top van de berg staat een cafeetje, of eigenlijk een barak-achtig gebouwtje met een drankenautomaat en een man achter een tafel die zakjes met nootjes of zoiets verkoopt. Ik zie een zakje met een vezelachtig spul, en omdat ik uit geen van de kanji-karakters wijs kan, vraag ik in netjes Japans "Wat is dat?" (want dat kan ik al). Hij antwoordt "ika", en omdat het nu is omgezet naar spreektaal, kan ik het in mijn woordenboek opzoeken, zodat ik vind dat het intkvis is, blijkbaar gedroogd en vezeldun uit elkaar getrokken. Vreemd smakend, maar niet slecht.
We gaan naar het ropeway-station om de kabelbaan terug naar beneden te nemen. Rond het station zit een kolonie apen rond te hangen. In de schaduw, siesta houdend omdat het te warm is om iets anders te doen. Moeder-apen letten op kindje-apen die rondklauteren. Ze zitten zich waarschijnlijk te verbazen over al die toeristen die helemaal zo'n berg op klimmen om hen te zien, terwijl zij gewoon op hun plek kunnen blijven zitten om een heleboel buitenlanders te zien.
Een aap bezig met zijn eigen zaken, op Mount Misen op Miyajima
Wij moeten betalen om met de kabelbaan beneden te komen. Ik bedenk dat dit eigenlijk oneerlijk is; wij hebben energie geleverd door zelf naar boven te klimmen, en geven die potentiële energie nu aan de kabelbaan. Eigenlijk zouden zij ons moeten betalen. Maar zo moet je dat misschien niet zien.
De Ropeway ofwel kabelbaan op Miyajima
Erdoorheen lopend zien we dat werklui bezig zijn een gedeelte zwart te verven; waarschijnlijk een grondverf, en daarna wordt het dan weer oranje overgeschilderd.
Ik merk op: "Dat zal een heel werk zijn, deze hele shrine overschilderen."
Hanna echter: "Ja, maar voor hen is het gewoon hun werk."
Natuurlijk, het feit dat al deze religieuze erfgoederen voortdurend worden onderhouden zodat ze steeds als nieuw uitzien, verschaft veel mensen werk. Of dit nu voornamelijk ten behoeve van het geloof of het toerisme gebeurt, weet ik niet.
Het indrukwekkendste van deze shrine is echter de tori, de poort, die 200 m ervóór in het water staat. Dit wordt algemeen beschouwd als één van de drie mooiste taferelen van Japan. Het is nu laag water, waardoor we er naar toe kunnen lopen. In het natte zand krioelt het van het leven, krabbetjes, slakjes, heremietkreeftjes en dergelijke kruipen rond in waterpoeltjes die hun wereld definiëren - althans, totdat de vloed weer opkomt en ze meeneemt naar andere gebieden. Tegelijk kun jij kilometers ver over de zandvlakte kijken, voor die waterdiertjes buiten het universum. Maar tegelijk weet je dat je zelf ook een klein krioelend beestje bent op een voor jou immense aardbol, die op zijn beurt weer nietig is in het sterrenstelsel. Je krijgt zo een klein beetje gevoel van de proporties, die eigenlijk niet te bevatten zijn.
De shrine-poort staat majestueus in de baai. Maar met zijn modderige poten in het zand, in plaats van in het water, mist hij toch wat van zijn majestueuziteit.
Verderop, bij de waterlijn, zijn een aantal Japanse vissers aan het pierensteken. Want het leven van een visser gaat gewoon door.
De tempelpoort van Miyajima bij eb
Terug in de ryokankamer, wederom in kimono genietend van een kop sake, zien we op de nacht-tv een wiskundeprogramma. Nogal een verschil met de meeste landen, waar 's nachts de meest domme spelletjes worden gespeeld: hier brengt een docent aan een aantal studenten aan de hand van veel visuele voorbeelden rijen- en reeksentheorie bij. Het geeft wel aan hoe de intellectuele niveau's van de landen zich tot elkaar verhouden.
Als ze ten einde raad in de keuken gaan vragen om eten, blijkt dat ze niet wisten dat je het ontbijt hier van te voren moet reserveren, en het zit er dus voor hen niet in. Helaas. Maar ze worden gewezen waar je ontbijt kunt krijgen: bijna overal, en de felbegeerde koffie kun je tenslotte uit de automaten op elke straathoek krijgen.
Het museum laat duidelijk zien welk effect de bom had. Maar nog meer: het laat zien dat vóór en tijdens de oorlog Japan bezig was net zo'n agressieve en totalitaire staat te worden als Duitsland. Was zo'n bom dan misschien een beetje gerechtvaardigd?
Maar het laat ook zien dat Japan tegen het eind van de oorlog al flink verzwakt was, en op het punt stond zich over te geven. Maar, zoals officiële documenten laten zien, zetten de Amerikanen toch door om de bom te gebruiken, en wel omdat ze wilden dat 1) Japan zich onvoorwaardelijk (lees: onder Amerikaanse voorwaarden) overgaf, 2) Rusland niet nodig zou zijn voor een overwinning op Japan, want daar wilden ze geen te goede vrienden mee zijn, en 3) de kosten ($2 miljard) voor de ontwikkeling van de bom gerechtvaardigd werden. Daar komt ongetwijfeld nog bij dat ze wilden laten zien dat ze niet bang waren de bom te gebruiken, om in de toekomst de Russen af te schrikken.
Ik moet zeggen dat het grote indruk maakt. Ik was natuurlijk al lang fel tegen kernwapens (en kernenergie, for that matter), maar hierdoor krijg ik zin me aan te sluiten bij een protestgroep, en niet te rusten voor de kernwapens de wereld uit zijn. Waar is de spirit van de 60- tot 80er jaren gebleven?
Het atoombom-museum in Hiroshima
De later gekomene is bezig voor zijn schoolproject toeristen te interviewen. Natuurlijk mag hij ons ook doen. Wat vinden we van Japan, het eten, het vervoer, de mensen etc.
Net als alle Japanners hebben deze twee moeite de 'l' en 'r' te onderscheiden. Maar het wordt nu extra verwarrend omdat de ene allebei als 'l' uitspreekt, en de andere als 'r'.
"Do you have... maylie?"
"Ehhhh... 'e-mail'?"
"No..." Hij wijst op zijn ringvinger. Het blijkt uiteindelijk dat hij bedoelt: "Are you married?"
We laten ons nog even met één van hen op de foto zetten. We moeten tenslotte accepteren dat we hier zelf meer een bezienswaardigheid zijn dan alles wat we komen bekijken.
Terwijl we onze boxed lunch opeten -heerlijk dat eten uit een stationswinkel zo goed kan zijn: enkele sushi's en een ijskoffie- zien we op de display boven ons dat we we 285 km/uur rijden. Ongelooflijk. Wel jammer dat je nauwelijks tijd hebt van het uitzicht te genieten.
Van Kokura naar Beppu met een 'gewone' intercity, die gaat alleen wat minder hard, maar is net zo mooi en luxe. Nu kun je het uitzicht tenminste goed zien!
De Eiffeltoren van Beppu
Na het inchecken wacht ons weer een verrassing. We komen terug in de lobby en praten zoals gewoonlijk Fins tegen elkaar. Het meisje dat achter de internetterminal zit, praat ineens terug tegen ons! Maar niet alleen is ze Fins, ze heeft ook nog eens in haar jeugd in Nederland gewoond, en spreekt een beetje Nederlands! Verdorie, nu hebben we helemaal geen geheimtaal meer. Ze vertelt dat ze in een safaripark naar leeuwen en andere hier niet thuis horende dieren is wezen kijken. Leuk, maar dat lijkt ons niet iets waarvoor we naar Japan zijn gekomen.
We gaan aan de bar zitten, waar enkele Japanners al zitten te eten. De menukaart is helemaal in het Japans, maar met behulp van mijn kanji-boekje vind ik uit dat ze Okonomiyaki hebben, wat wij wel eens willen proberen. Met hulp van de man op de hoek van de bar, en het personeel met hun mobiele telefoons waar woordenboeken in zitten, vinden we uit dat je verschillende toppings kunt hebben. We nemen samen één met prei en garnalen. Het bier is van het Kirin-merk, en erg lekker.
De man op de hoek van de bar ziet er uit als een vechtleraar uit een kung-fu-film, of zoiets. Even later wordt er een man in een rolstoel tussen ons in gerold. Hij kan zijn benen en linkerarm niet gebruiken, en de rest ook slechts met spastische neigingen. Hij spreekt ook wat Engels, maar is door zijn handicap moeilijk te verstaan.
De okonomiyaki arriveert, en is heerlijk: een soort dikke pannekoek ('pizza' doet er geen recht aan) met kruiden en de gewenste topping. Blij dat we dit hebben leren kennen.
Er ontstaat een levendig gesprek, zij het met langzame informatie-overdracht vanwege de taal, tussen ons, de man in de rolstoel, die computerprogrammeur is, en de man op de hoek van de bar, die boksinstructeur blijkt te zijn. Hij heeft vroeger zelf wedstrijden gebokst, en is 9 keer Japans kampioen geweest. Dat hadden we dus goed gezien. Met hem wil ik geen ruzie.
Hoe oud ik ben? "43".
"You are very young!" roept de computerprogrammeur.
OK, dank je ... neem ik aan?
Ze bestellen voor ons iets waarvan men verwacht dat buitenlanders het niet kunnen eten. Vóór ons liggen twee rode ballen, ter grootte van abrikozen. Bij het proberen blijken dit de beruchte pruimen in het zuur te zijn. Maar zo slecht is het helemaal niet. Wij zijn onverwacht succesvol in de consumptie hiervan, wat bijdraagt aan onze acceptatie.
Als we vertrekken is het niet duidelijk hoeveel van de (iets te veel) gedronken pilsjes we zelf hebben betaald, want de rekening laat alleen één totaalbedrag zien, maar dat is dan ook een heel schappelijk bedrag.
Op tv is net als gisteravond weer een wiskundeprogramma aan de gang, waarin een docent aan twee studenten, aan de hand van veel visuele voorbelden, uitlegt hoe je de oplossingen van a² + b² = c² kunt vinden.
De eerste paar warme bronnen zijn indrukwekkend. Poelen waar de stoom vanaf komt, en blubberende modderpoelen. Maar we kunnen een vergelijking met Nieuw-Zeeland, waar we vorig jaar zijn geweest, niet onderdrukken. Daar zag het allemaal veel natuurlijker uit: de stoom kwam overal rond de stad Rotorua spontaan uit de grond, en ook de zwaveldampen waren overweldiger. Hier ziet het veel gecultiveerder uit. De Japanners hebben er nette tuintjes omheen gebouwd, met mooie planten, paden, bruggetjes enzovoort, zodat je je afvraagt of de bronnen zelf nog wel echt zijn. Maar ja, tuinen aanleggen is natuurlijk een specialiteit van de Japanse cultuur.
Een dampende poel in Beppu
Natuurlijk is er een shinto-shrine bij, waar mensen hun traditionele gebeden komen doen. Ze gooien een munt in de bak, steken een wierookstokje aan, rinkelen de bel met het zware koord dat ervoor hangt, doen een gebedje, klappen twee keer in hun handen, buigen en gaan weer verder.
Bij volgende sites zien we houtsculpturen van goden die traditioneel hiermee werden verbonden, en plaatsen waar eieren in het hete water worden gekookt. Heerlijk, met zwavelaroma.
Maar wat ons echt ongemakkelijk maakt is de site waar een kleine dierentuin om de bronnen heen is gebouwd. Er wordt vermeld dat door de constante hoge temperatuur en vochtigheid deze dieren hier gelukkig leven. Dit kunnen we ons niet voorstellen. We zien een nijlpaard en een olifant, beiden in een veel kleinere ruimte dan in een dierentuin gebruikelijk is. De flamingo's zijn gekortwiekt opdat ze niet wegvliegen. De adelaar komt in zijn kooi van enkele meters doorsnee ook niet aan zijn trekken. Hanna durft niet dicht bij de lama's te komen omdat die hun frustratie wel eens op ons zouden kunnen afspuwen. Het blijft mij een mysterie wat de zin ervan is hier een aantal wilde dieren op te sluiten, tenzij het is om meer toeristen aan te trekken omdat de bronnen zelf niet bijzonder genoeg zijn. De vergelijking met Amerikaanse pretparken dringt zich op.
De laatste site, met een geiser die elke 20 minuten spuit, is wel weer indrukwekkend. Maar als het waar is, dat deze 20 meter de lucht in spuit, waarom is er dan 4 meter hoog een dak boven gebouwd, waar hij tegenaan spuit? Opdat we niet kunnen verifiëren of de informatie klopt?
We lopen een eind langs de boulevard, waar we een groot podium en een aatal eetstalletjes zien. Mensen zijn bezig op het strand van vele lantaarns (simpelweg theelichtjes in plastic bekers met papier eromheen voor de kleur) een tekening te maken. Een groot hart, cirkels en golfvormen. Maar van een draagbare shinto-shrine is niets te zien. Als ik ze help de uitgewaaide kaarsjes weer aan te steken, wordt mij uitgelegd dat deze matsuri niets religieus heeft: het is een studentenfeest met als thema 'Lovers of the beach'; vandaar het hart, de golven en de bubbels.
Lantaarntjes op het strand in Beppu
Het feestprogramma begint met een danswedstrijd. Verschillende dansgroepen passeren de revue, die allemaal een vorm van streetdance doen waarbij springtouwen worden gebruikt. Erg leuk, al die sprongen in het touw. Degenen die de touwen zwaaien, springen zelf ook mee, geven de touweinden aan elkaar door onder het springen, enz. Ik heb nog nooit zoiets gezien. Weliswaar gaat het bij de meeste groepen nogal eens mis: het touw blijft achter een voet haken, maar dat mag de pret niet drukken.
Daarna, terwijl er een band genaamd 'Mr. Blues' speelt (de vader van de Blues brothers?) eten we wat bij de vele multiculturele eetstalletjes.
Terug naar het centrum lopend is daar een ander straatfestival aan de gang. Allerlei stalletjes verkopen de Japanse variant op friettenten-voer. Stukken gegrilde inktvis op een stokje, okonomiyaki opgerold op een stokje, maar ook dingen die eruit zien als hamburgers, zij het, neem ik aan, anders gekruid. Daartussen stalletjes met allerlei rommel. De Japanners zijn kampioenen in de onzinnige gadgets. Armbandjes die futuristisch uitzien en licht geven, en duizenden kleine frutseltjes die de jeugd hier aan hun mobiele telefoons hangt.
Het meest bizarre dat ik hier zie is echter plastic dozen met elk twee levende vliegende herten. Als ik er verwonderd naar sta te kijken probeert de verkoper me ze aan te smeren. Maar dit kan mij toch echt niet bekoren. Ik weet niet eens of dit bedoeld is als huisdieren, of om op te eten; lijkt me alletwee even bizar. Misschien eerst het een en dan het ander?
Even later zie ik een paar kinderen op de stoep met zo'n doos, opengemaakt, die aan het spelen zijn met de grote kevers. Will Ferguson vertelt dat een krab in zijn ogen doet denken aan een grote gemuteerde kakkerlak; wel, voor mij doen deze beesten dat, en ik zie er geen bekoring in.
Het verkeer dat normaal door deze straat gaat wordt omgeleid, en dat lijkt me prima te doen met de borden die voor dat doel zijn neergezet. Maar de Japanners vinden het dan nodig om op één rustige kruising vijf medewerkers neer te zetten, die met lichtgevende stokken de paar langskomende auto's signaleren dat ze af moeten slaan, en ze tegen houden als er voetgangers over willen steken. In Japan is waarschijnlijk weinig werkloosheid.
Om 22:00 is het feest officiëel afgelopen en ruimt men alles op. Vanuit een nabijgelegen café zien wij dat dit betekent dat om 22:30 alles weg is, en de straat er uit ziet alsof er vandaag niets bijzonders is gebeurd. Ook daar zijn ze hier goed in. Er zijn zeker dingen die wij nog van Japan kunnen leren.
Kunstwerk gemaakt door Hanna van gadget gekocht op het het straatfeest, Beppu
De Japanse treinen zijn echt ongelooflijk. Ze rijden exact op de minuut op tijd en zijn perfect schoon en netjes, en toch voel je je er niet ongemakkelijk in. Men weet van te voren exact waar de deuren van de wagons komen, en mensen staan netjes op die plekken in de rij. Maar er is geen stress, geen frustratie om te zorgen dat dit zo is. Ook bij ons niet: je weet exact waar en wanneer de trein er is, en je zorgt gewoon dat je daar dan bent. Natuurlijk kan het zijn dat mensen zich storen aan het feit dat wij minder smetteloos schone kleren hebben, naar zweet ruiken en niet altijd kaarsrecht in de rij staan. Maar Japanners zullen daar niet snel iets van zeggen.
Volgens Will Ferguson accepteren de Japanners immigranten niet snel als een van hen. Ook al ben je latere-generatie-immigrant, je blijft buitenstaander. Dat maakt ons toeristen natuurlijk niets uit; wij zijn sowieso bezoeker. Maar hoe dan ook, het moet gezegd dat Japanners de bezoeker, zij het als buitenstaander, maar dan toch zeer vriendelijk en gastvrij behandelen.
Een ander leuk aspect aan de stations/treinen is de catering. Op de stations kun je allerlei lunchboxen kopen, met sushi, tempura, of wat dan ook, die desnoods nog in het winkeltje kunnen worden opgewarmd. In de trein eet je die vervolgens op. De stokjes zitten in de doos erbij. Een volwaardige lunch, veel beter dan de meeste vliegtuigmaaltijden. Alleen is dit deze keer voor ons het ontbijt.
Onze lunch in internetcafé 'Lulu' doet ons ons nog beter voelen, mogelijkerwijs omdat het eindelijk iets westers is. Al dat Japanse eten is weliswaar erg goed, maar bepaalde dingen ga je gewoon missen. Een salade met brood! BROOD!! Dat krijg je hier nou normaal nergens!
Wij doen vanmiddag de philosopher's walk, door een bijzonder sfeervol stuk oud Kyoto, langs een riviertje en tussen vele bomen, waar destijds waarschijnlijk vele filosofen hebben gelopen. In ieder geval zou het aanzetten tot filosoferen, ware er niet de herrie van de crickets die overal in de bomen zitten en een onafgebroken oorverdovend gezoem afgeven.
Een cricket in een boom, Kyoto
De route wordt geflankeerd door vele shrines. We bezoeken enkele ervan, waarvan door standbeelden duidelijk wordt aangegeven dat ze aan katten resp. muizen zijn opgedragen. In het shinto-geloof heeft alles zijn eigen god.
Lopend langs de route kijken we door de door de crickets half opgegeten bladeren van de bomen heen naar het uitzicht over de stad en zien we snel maar geleidelijk, na het ondergaan van de zon, alles donkerder worden. Ook de luchtdruk lijkt te zakken, maar nog niet zoveel dat je zou gaan denken dat er regen in de lucht zit. Alles wordt rustig. De wereld staat stil op dit moment waarop dag en nacht elkaar ontmoeten.
We nemen de metro naar het station, om onze treinreservering voor morgen te regelen (we komen dan immers langs Tokyo). Als we daar uit de metro komen, en een paar meter buiten moeten lopen om bij het treinstation te komen, moeten we door een muur van water heen: er komt een plensbui uit de lucht van heb ik jou daar! Slechts zo'n 10 minuten en enkele kilometers van waar we daarnet waren, en waar nog niets aan de hand was. Ik zou als korte-termijn-weersvoorspeller in Japan niet erg goed zijn.
Een bijzondere schouwspel is om door deze stromende regen heen, die door de wind als een gordijn in allerlei vormen wordt verbogen, naar de mooi verlichte Kyoto Tower te kijken.
In 'A-bar' bestellen we nog een toetje. Terwijl we dit opeten, kunnen een meisje aan de andere kant van onze tafel en en haar vriendje het niet laten ons te vertellen dat we de stokjes niet goed vasthouden. De onderste moet tussen middel- en ringvinger, en de bovenste alleen tussen duim en wijsvinger. Ik probeer het, maar ik heb er zo veel minder controle over dan op mijn manier, met de bovenste tussen duim, wijs- en middelvinger. Dan moet ik maar in het vervolg niet zo duidelijk laten zien hoe ik ze vasthoud.
Hoewel ze niet veel Engels spreken (en wij nog steeds niet veel Japans), komt er toch een gesprek op gang. Het meisje komt uit Okinawa en de jongen uit Aoni (?) en ze wonen samen op een eiland in de prefectuur Nagasaki. Het meisje blijkt al veel paatsen van de wereld bezocht te hebben, en wel iedere keer voor een concert. Ze is namelijk professionele muzikant in de Okinawese traditionele muziek. Onnodig te vermelden dat ik ineens heel geïnteresseerd ben in haar.
Misschien omdat het nu gezellig wordt, maar misschien ook omdat we verbaal niet veel informatie kunnen uitwisselen, stellen zij voor, wanneer de kroeg om 24:00 sluit, naar een typische Okinawese bar te gaan. Zo kan zij ons wat Okinawa-cultuur laten proeven, en zo later blijkt, horen. De kroeg is recht tegenover de A-bar in de smalle kroegenstraat, en we gaan de trap op, trekken onze schoenen uit, en zitten op de kussens rond de lage tafeltjes. Meteen worden er allerlei bitesize heerlijkheden geserveerd, waarvan het vaak niet duidelijk is waar het uit bestaat -ongetwijfeld veel inktvis, zeewier en sojaboon-, maar die erg lekker zijn. De jongen verdwijnt even en komt even later terug met het instrument van het meisje: een samisen, een driesnarig banjo-achtig instrument van slangevel.
Het meisje speelt en zingt een aantal nummers, en wij worden direct gegrepen door de muziek. Het is ongelooflijk hoe op zo'n simpel instrument ritmische percussiviteit met emotie (de samisen heeft geen frets dus alle noten kunnen gemakkelijk worden verbogen) gecombineerd kan worden, zodat je zelfs geen behoefte hebt aan meer begeleiding. En hoewel we geen woord verstaan van de tekst, zit de zang zo vol emotie dat het blijft boeien. Het is ook tekenend dat Hanna, die die normaal niet erg gecharmeerd is van volksmuziek, hier ook door gegrepen wordt. Ook houdt ze er normaal niet van zo laat uit te gaan, tenzij ze zich echt op haar gemak voelt.
Deze samisen van slangevel is in China gemaakt; normaal worden ze in Japan met kattevel bespannen. Ongetwijfeld geeft dat een minder bijzonder geluid.
De muzikante in de Okinawese kroeg in Kyoto
Aan het eind van deze prachtige sessie en gezellige avond, willen wij de rekening betalen, maar dat lukt niet want dat blijkt al gebeurd te zijn. Uit het visitekaartje van het meisje raak ik niet veel wijs, behalve het emailadres. Misschien kan ik dan voor de gastvrijheid nog waardering laten blijken door contact te houden.
Teruglopend naar onze ryokan prijzen wij ons gelukkig dat we nog een dag in Kyoto hebben doorgebracht.
In een grote shinto-shrine in het park zien we een bruidspaar, dat geheel in de traditionele klederdracht hun gebeden komt doen. De bruid is in een kleurige kimono, met een grote strik op de rug, houten sandalen en opgestoken haar; de bruidegom is in een zwarte kimono. Iets voor Europeanen, misschien, hier te trouwen? Dat zou in ieder geval een wat interessantere trouwfoto geven!
We komen aan het begin van de avond aan in Nikko. Nikko, hoewel maar een paar honderd kilometer van Tokyo, is de rust zelve. Een dorpje aan een rivier in de bergen. Op weg naar onze 'Park Lodge' zien we wat andere toeristen, op weg naar het dorp, waarschijnlijk om wat te eten te zoeken. Verder loopt er niemand; het heeft alle sfeer van een slaperig dorpje in de bergen.
De rivier in Nikko
De Park Lodge is heel sfeervol en gezellig, met een gemeenschappelijke woonkamer. De manager -eindelijk een Japanner die goed Engels spreekt!- stelt ons op ons gemak. Niet zo nederig als de andere hotelreceptionisten, maar wel even behulpzaam en heel easy-going.
We gaan, net als de andere toeristen die we gezien hebben, maar eens kijken wat er in het dorp 's avonds te doen valt, om erachter te komen dat dat heel weinig is. We zien op het eerste gezicht één restaurant dat open is; het zou kunnen dat er meer zijn, maar we hebben nu geen fut om verder te zoeken. We gaan naar binnen in de tent, die eruit ziet als een American diner, met zijn banken en tafels die dwars aan de muur zitten. De menukaart blijkt geheel uit Chinese noedelsoepen en dergelijke te bestaan. De pinten Kirin-bier doen ons ons gelijk weer aangesterkt voelen. Dit is het beste bier van Japan, hebben we al besloten, en zeker één van de beste pilsen ter wereld! En als het eten arriveert zijn we helemaal gelukkig. Het blijkt weer dat het in Japan niet veel uitmaakt in wat voor klasse restaurant je binnen gaat, of wat je bestelt van de onbegrijpelijke menukaart, het is gewoon altijd goed!
Dit zorgt er dan misschien ook voor dat in onze ervaring Japan helemaal niet zo duur is als wel beweerd wordt - ook door Will Ferguson. Je hoeft niet naar de hoogste klasse hotels en restaurants te gaan. Ga gewoon naar een simpele herberg en eettent, en de kwaliteit is toch gewoon goed. Je betaalt niet voor zinloze franje, dus je hebt meer waar voor je geld. Als je niet aan luxe verslaafd bent, is Japan niet duur. Leuk om te weten wanneer je nog eens iemand op een verjaardagsfeest hoort vertellen 'hoe duur Japan is'.
Omdat er verder echt niks te doen is in het dorp, gaan we maar terug naar de Lodge om krachten te sparen voor een lange dag Japanse historie.
We lopen het dorp door naar waar de weg over de rivier gaat. Daar, parallel aan de brug, is een andere, traditionele Japanse brug. Een heleboel toeristen hebben zich tegen betaling toegang verschaft tot deze brug, die nu nergens meer toe leidt. Hebben zij niet door dat je het mooiste uitzicht hebt waar wij staan, hier op de moderne brug, vanwaar je de mooie Japanse brug over de rivier ziet hangen?
Aan de overkant van de rivier, steil de berg op, bevinden zich de shrines en tempels die we willen bezoeken. Op de trappen naar de plek toe, nog ver vóór de betaalde ingang, zit een man die informatievellen verkoopt. Volgens hem is zijn informatie veel vollediger dan wat je bij de ingang krijgt.
"Maar wij hebben een boek, daar staat ook al een heleboel in."
"Dat denk ik niet; boeken.... neuh."
Wat hij aanbiedt kost niet veel, en lijkt inderdaad veel informatie te geven. Maar wij zijn te door de wol geverfde reizigers om aan zo iemand toe te geven. Als hij geen oplichter is, waarom koopt hij zijn waar dan niet 'officiëel', bij de ingang? No deal, dus.
Bij de ingang krijgen we inderdaad niet veel informatie, maar ons boek geeft genoeg. De meeste shrines zijn mausolea, graftomben, voor één of andere heerser door zijn kleinzoon gebouwd. Elk ervan bestaat uit een heleboel gebouwen en ornamenten, en het grafgebouw bestaat uit een heleboel kamers, waarbij de achterste, waar het graf is, het meest gewijd is, en daar mag je dus niet in.
Een overweldige overdaad aan decoraties op alle muren, daken en poorten. Beeltenissen van draken, goden en allerlei natuurtaferelen. Je kunt blíjven rondkijken.
Wat ons ook opvalt is de opmerkelijke hoeveelhed stenen lantaarns die in sommige tempels staan. Deze waren geschenken van andere heren. Waarschijnlijk moest men als men op bezoek kwam altijd een geschenk meenemen. Zo'n grote stenen lantaarn is dan een heel gesjouw, maar in ieder geval hoefden ze nooit na te denken over wat voor cadeau nú weer te geven: alles was voorgeprogrammeerd.
Nog opmerkelijker: het wemelt hier van de toeristen. Op zich is dat natuurlijk niet verwonderlijk, maar waar komen die allemaal vandaan? In het dorp is haast geen levende ziel te bekennen, en nu dit. Je blijft je verbazen hier.
De Mausolea in Nikko
Na een flink dagdeel ons tussen de toeristenstroom aan de draken vergaapt te hebben, willen we wel weer wat rust, en klimmen daartoe langs een steil pad omhoog, door het bos de heuvel op. Boven staan ook weer enkele shrines opgedragen aan dieren van het bos. Verderop, achter de heuvel, staat een shrine die die vol staat met houten platen met elk hetzelfde kanji-karakter erop gegraveerd. Op onze vraag aan een voorbijgangster wat dit betekent, horen wij de duidelijke verklaring: "Dat zijn schaakstukken. Pions."
Ah. Nee, nu is het mij geheel duidelijk. Men komt hier schaak spelen tegen de goden?
Maar er komt meer verklaring. De tekens betekenen een soepele geboorte. Hoogzwangere vrouwen komen hier bidden voor een probleemloze geboorte, en bieden de goden zo'n gravure in de vorm van een schaakstuk aan. Na de geboorte komen ze nog eens terug, om te bedanken. Er vanuit gaande dat de geboorte ook probleemloos verlopen is, neem ik aan.
Schaakstukken in tempeltje bij Nikko
Na het diner in het hotel -in tegenstelling tot het ontbijt wél heel goed en heel Japans, inclusief pruimen in het zuur-, is blijkbaar iedereen doodmoe. Al vrij snel zit ik alleen met de hotelmanager en een pilsje voor de tv. Ik zie iets over de vloer kruipen en onder de bank verdwijnen, te snel om te zien of het niet een grote spin was, want daar leek het op. Het schijnt dat er in Japan giftige spinnen zijn, dus dit is een issue! Samen met de manager schuiven we alles aan de kant, maar we vinden hem niet meer. Maar de manager zegt dat de spinnen, hier althans, niet giftig zijn. Als ze bijten doet het zeer, maar je gaat er niet dood aan. OK dan.
Even later zit het schepsel ineens bovenop de bank en blijkt het een sprinkhaan-achtig insect te zijn, met als levendoel de toeristen de stuipen op het lijf jagen.
Ik heb vandaag een in Miyajima gekocht t-shirt met de kanji voor 'droom' aan. Voor mij gewoon een mooi plaatje, maar op de Japanners werkt het inspirerend. Als we de toeristeninformatie binnenkomen, vraagt de man daar meteen: "Wat is jouw droom?"
"Mijn droom? Japans te kunnen spreken."
Zo'n 1000 m (?) hoger komen we langs de andere helft van het dorp. Verder, langs een aantal meren, verder en verder de berg op, en de wolken in, tot we na een uur, als bijna alle andere passagiers al zijn uitgestapt, en we al denken dat we veel te ver zijn, op het door ons verlangde punt zijn. Onze angst dat dit hele gebied in een dikke wolk zou zitten, blijkt niet helemaal gegrond: hier schijnt een stralende zon.
De vegetatie is hier anders dan beneden. Ik ken geen namen, maar de algemene groen-tint is lichter. Om ons duidelijk te maken dat we hier in een ander klimaat zitten, treffen we een vierkant veld aan, waarop koeien grazen. Die hebben we op de hele reis nog niet gezien! Ernaast is de sales-unit van hun bedrijf: een winkeltje met zuivelproducten en brood. Maar wie nu denkt hier halfvolle melk en belegen kaas te krijgen, komt bedrogen uit: ze verkopen allerlei boter- en kaas-varianten die ik nog nooit heb gezien. In plaats van westerse landen te kopiëren, bedenkt men hier zelf wat je met melk kunt doen.
We beginnen aan de wandeling en genieten van het feit dat het hier zo rustig is: niets van de mensenmassa's die we gisteren bij de tempels zagen.
Onze route leidt eerst omhoog, door een bos waar de onderbegroeiïng bestaat uit één soort manshoge planten, die we niet kennen. Heel apart.
Hier en daar zijn met balken treden gebouwd, om het klimmen gemakkelijker te maken? Maar deze zijn zo hoog, meestal ter hoogte van mijn knie, dat het niet echt veel gemakkelijker is. Ik vraag me ook af hoe die kleine Japannertjes dit doen. Het antwoord is misschien dat zij de route alleen andersom lopen: naar beneden.
Af en toe komen we wandelaars tegen, die, van de treden af springend, tegen mij roepen: "Ah, yumi! Dream!"
Verderop komen we langs twee kleine, nog volledig onverstoorde bergmeertjes, Lake Kirikomi en Lake Karikomi, verbonden door een waterengte. Een Siamese tweeling, die, zolang de buitenwereld ze niet stoort, in harmonie en balans leven.
Lake Kirikomi bij Nikko, en de weg erheen
Het laatste gedeelte achter de berg langs leidt door een dichter bos, tot we afdalen naar een dorpje waar de bekende zwaveldampen ons alweer verwelkomend tegemoet treden. Hier is een warme bron. Een moerasgebied van grijze modderpoelen, bezaaid met kleine schuurtjes, vanwaar buizen lopen naar het nabijgelegen hotel. Het opborrelende warme water wordt direct afgevoerd voor gebruik in hete baden.
We eten wat in een restaurant, gelegen aan Lake .... waar je de bestellingen in een automaat moet invoeren en betalen. Maar daarna worden ze wel door een levende serveerster aan je tafel gebracht. De automatisering is nog niet totaal.
We lopen om het meer heen, en komen bij .... Falls, een levendige cascade van watervallen. Het water danst over de rotsige route naar beneden, en geeft al opspattend een lichtspel dat geen twee keer hetzelfde is, en blijft boeien.
Watervallen bij Nikko
Onderaan de watervallen, op een terrasje komen we onze Australische vrienden weer tegen, die we 's morgens in het dorp trouwens ook al hebben gezien. Zij zijn langs de rivier naar boven gelopen, wat wij nu in de andere richting gaan doen. Het zal blijken, dat op deze dag is voorbestemd voor ons dat we elkaar blijven tegenkomen.
We lopen verder over loopplanken door het moerassige gebied omlaag langs de rivier. Regelmatig zijn er herten vlak naast ons in het hoge gras, die we pas opmerken wanneer ze plotseling besluiten weg te rennen. In de verte aan de linkerkant een plaatselijke Mount Fuji.
Uiteindelijk komen we uit in het deel van Nikko aan Lake Chusenzi. Dit ziet niet zo glorieus uit als in de toeristenfolder, want er hangt een dikke lage wolk overheen. Opmerkelijk is dat wij deze wolk, die er vanmorgen ook al hing, volledig hebben ontweken. Rond de berg was een stralende zon, en we zijn ook niet door de wolk heen geweest.
Wij dineren, omdat er niet veel in het dorp te vinden is, en omdat dit ons wel beviel, in dezelfde Chinese noedelsoep-tent als eergisteren. Ah, heerlijk zo'n pint Kirin-bier na een lange wandeling!! Wie zal dit genot ooit weten te beschrijven! Ook het eten is (wederom) uitstekend.
's Avonds in de Lodge komen onze Australische vrienden terug van een duidelijk heerlijk ontspannen bad in een onsen, een warme-bron-badhuis. Dat is iets wat wij op deze reis in gebreke blijven. Als ik zie hoe verfrist zij hier vandaan komen, zou dat voor ons ook zeker een goed idee zijn geweest.
Ik heb een gesprek met een Engelse jongen en een Zwitsers meisje die hier een week lang in het hotel werken. Zij reizen op deze manier heel Japan af, hier en daar werkend voor kost en inwoning, meestal op biologische boerderijen. Ook dat lijkt me een perfecte manier om een land te leren kennen.
Aan het eind van de avond kan ik nog zeggen dat ik twee Japanse cultuurelementen heb ervaren die wij verder ook gemist hebben. Op tv is namelijk een noh-poppentheater-voorstelling. Dit is één van de nationale theatervormen van Japan. Het is boeiend om te zien. Hoewel ik er natuurlijk niet veel van kan volgen, is het duidelijk een drama. De poppen bewegen heel natuurlijk en theatraal. Elke pop wordt bediend door 3 of 4 spelers, die zich niet verborgen proberen te houden. Maar wel zijn alle spelers behalve één voor iedere pop geheel in het zwart gehuld, inclusief gezicht. De niet bedekte speler kijkt vol concentratie naar de pop die hij bedient. Ik weet niet of het de bedoeling is, maar ik kan mijn ogen niet van die spelers af houden. Al zijn de poppen nog zo 'levend' en vol expressie, het schouwspel van een poppenspeler die geconcentreerd is op zijn pop, en daarbij zichzelf vergeet, is voor mij het boeiendste.
Een ander cultureel gemis dat televisioneel wordt aangevuld: een sumo-worstelwedstrijd. Rondbuikige mannen in lendendoeken die elkaar omver proberen te trekken. Heel interessant eens te zien hoe dit er aan toegaat. Gek eigenlijk, ik ben geen sportfan, en als dit de nationale sport van mijn land was zou ik het doodsaai vinden. Maar nu is het hartstikke leuk zwaarlijvige mannen te zien die als peuters aan het stoeien zijn.
Verderop is een lange rij graven; ongetwijfeld hebben de standbeelden hier iets mee te maken, maar wat precies blijft onduidelijk. Voorbij de graven staat wéér een rij netjes aangeklede boeddha's. Wij zouden graag iets vragen aan de mensen die hier ongetwijfeld regelmatig de beelden komen verschonen (zelfs een standbeeld maakt immers zijn kleren vuil). Maar er is nu niemand te zien.
De rij boeddha-beelden in Nikko
We lopen het dorp weer door, en na nog een koffie en enkele mysterieuze maar lekkere zoete dumplings in een café, gaan we naar het station. We boemelen de berg af naar Utsunmiya, en met de shinkansen gaat het nu toch echt naar Tokyo!
We halen even diep adem en dompelen ons onder in deze enorme mensenmassa. We nemen de metro naar Ueno en lopen door Ueno Park. De grote vijver in het midden zit helemaal vol met lotusbloemen. Als de kaart het niet duidelijk aangaf, zou je denken dat dit een lotusbos is en geen vijver. Op de paden van het park staat het vol met souvenir- en gewone troep-verkopers.
Lotusvijver in Ueno Park en stadsbeeld, Tokyo
Via hier lopen we naar ons hotel. Dit is weer een ryokan, maar wel een hele luxe. We hebben feitelijk een tweekamer-appartement: een slaapvertrek (futons) en een zitvertrek (laag tafeltje, kussens, thee), te scheiden door schuifdeuren, en een hal en een badkamer. En ook dit kost niet exorbitant veel. Waar is dat dure Japan?
Wij gaan lunchen in een Koreaans restaurant bij het metrostation Ueno. Bestellen gaat weer met foto-menukaarten. De metalen stokjes zijn wel heel moeilijk; daar heb je weinig grip mee. Op het risico af dat we voor barbaren worden versleten grijpen we toch maar naar de houten stokjes. Het eten is wat pittiger dan wat we meestal krijgen. Korea is dan ook ietsje dichter bij Indonesië...?
Als we bij de kassa betalen en vertrekken, staat het hele keukenpersoneel achter de bar om ons enthousiast 'Arigato gozaimasu!' toe te roepen, en verdringen zich om ons het vriendelijkst uit te zwaaien.
Het verbaast ons dat zelfs hier, in deze enorme heksenketel van miljoenen mensen, die allemaal bezig zijn met op tijd ergens te zijn, de sfeer nog net zo vriendelijk is als op alle andere plaatsen.
Aangekomen op het station ........... heb ik evenveel moeite te weten welke kant ik op moet voor de universiteit. Een man bij het wachthuisje bij de 'dome' zegt: "Maar de universiteit is nu vast wel gesloten", en wijst mij de compleet verkeerde kant uit. Aan de hand van de grote achtbaan vind ik mijn richtingsgevoel weer terug -een bijzondere prestatie van een achtbaan-, en loop naar de universiteit. Althans, dat denk ik. Ik sta, voorzover ik op de kaart kan zien, precies voor de universiteit, maar ik zie niks. Maar weer vragen aan voorbijgangsters.
"Ja, de universiteit is hier, of eigenlijk hierachter. Maar je kunt er zo niet in; je moet het hele blok omlopen."
Zo kom ik er uiteindelijk toch, en officiëel ben ik veel te laat voor de inschrijving, maar die is, niet volgens Japanse pünktlichkeit, nog open.
Op het welkomstbuffet zie ik niemand die ik ken. Yasuyuki Maekawa is er niet, en niemand die ik uit mijn onderzoekswereldje ken. Blijkbaar reikt dat wereldje toch niet wereldwijd, en ik ben er nu buiten gestapt. Goed, dan moet ik maar een pionier zijn, die kennis maakt met een nieuwe wereld. Met enige glazen sake gaat dat soepel, zij het dat ik vooral kennis maak met een Japanse die naar Engeland is geëmigreerd, en andere buitenlanders. Ik kan er niks aan doen; ik blijf toch altijd in dat internationale kringetje hangen.
Op zeker ogenblik hoor ik naast me:
"Tell me, is Tony Blair still prime minister?"
Naast me staat James Cole, een in Japan wonende Amerikaan, die -zo blijkt snel- zo genoeg heeft van de USA dat hij Japanner wil worden. Hij weet veel over Japan, zo blijkt al snel, maar vooral de recente ontwikkelingen in de wereldpolitiek doen hem hiertoe besluiten. En eerlijk gezegd kan ik het begrijpen.
Het buffet is in principe 'all you can eat', maar dat betekent in de praktijk: 'all you can find', en vrij snel is dat al niet veel meer. De tafels zijn snel leeg. Maar aangezien dit aangeboden wordt, maken we ons daar niet druk om en drinken nog wat meer sake.
Om 20:00 worden we de zaal uitgegooid, en iedereen zegt tegen me "tot morgen dan!" alsof het feest dan doorgaat. Ik zeg 'tot morgen' terug, met enigszins slecht geweten, want ik ben echt niet van plan morgen te komen, omdat ik weet dat het programma geheel bestaat uit presentaties buiten mijn vakgebied, waar ik dus niks van snap.
Om 20:30 kom ik duidelijk minder helder, maar met een goed humeur en hongerig terug in het hotel. Hanna en ik gaan naar een restaurant waarvan ik eerst zeg: "het is hier wel een beetje te licht om sfeervol te zijn." Achteraf zegt Hanna dat, welbeschouwd, ik gelijk had: met zoveel licht is het niet echt gezellig. Hmmm... wat betekent dat over hoe ik eruit zie deze avond?
Ik koop ook een kimono om als ochtendjas te gebruiken. Het grootste probleem daarbij is een lengte te vinden die niet tot je enkels hangt, want dat geeft veel te veel kans op ongelukken 's morgens met een slaapdronken kop. Maar ik vind er tenslotte een van een veilige lengte.
In de shinto-shrine is het zoals gewoonlijk: veel toeristen die komen kijken wat dit eigenlijk is, en veel Japanners die alsof er niets aan de hand is hun gebedsroutine komen volgen. Een munt in de bak gooien, klappen, de bel rinkelen, bidden, nog eens klappen, buigen, en weer weggaan. Ofwel deze trouwe gelovigen geven helemaal niets om toeristen die hen aan staan te gapen, ofwel ze worden betaald door de toeristenindustrie.
Hierna maken we een boottocht op de rivier de Edogawa, naar het Ginza district. Zo zie je de stad van een ander perspectief. Eenvoudige vissersboten en arbeidersflats zij aan zij met glitterende gebouwen met kitscherige neonreclames. Een indrukwekkende brug met een dubbeldeks snelweg (maar niet zo hoog als die in Porto), en een brug die doet denken aan de Rotterdamse Maasbrug. Sorry, ik kom uit een rivierendeltaland. We stappen uit in het park waar het theehuis van de keizer is.
Wandelend door het perfecte staaltje van Japanse tuinarchitectuur, tussen de kronkelige bomen over de in perfecte harmonie even kronkelige paden, naderen wij het theehuis. We zien het af en toe in de verte liggen, dan verdwijnt het weer, en verschijnt weer in een andere richting. Dit werkte misschien ook om eventuele belagers van de keizers op een dwaalspoor te brengen en zijn lijfwachten de tijd te geven hem te verdedigen?
Het theehuis is aangenaam gelegen met een terras aan een vijver in het park. Hier heeft destijds de Amerikaanse president Grant thee gedronken met de keizer. Nu is het open voor het publiek, dus in de voetsporen van de wereldleiders gaan wij er binnen, doen onze schoenen uit, en gaan op onze knieën zitten. De serveerster in kimono buigt wanneer ze ons thee en een Japans zoet gebakje serveert. Ik buig terug, maar Hanna dacht dat dat niet nodig was. Och, wat maakt het uit, we worden waarschijnlijk toch als domme toeristen gezien. We vergeten ook de kom rond te draaien bij het drinken, dus voor het cultuurexamen zouden we toch zakken.
In het theehuis van de keizer, Tokyo
Naast het park ligt het winkeldistrict Ginza. Dit gaat al meer uitzien als wat je van Tokyo verwacht. Hoge gebouwen (zij het nog geen wolkenkrabbers), brede straten vol met auto's, en enorme mensenmassa's op de trottoirs en de zebrapaden. Op de gevels boven de winkels zit het vol met opdringerige lichtreclame; op de hoeken van de grotere kruispunten zijn videoschermen van zo'n 4x6 meter, waar continu reclamespots draaien. Maar toch ook hier, ondanks de mensenmassa's is er een vriendelijke, niet gestresste sfeer.
In een muziekwinkel willen we een CD met samisen-muziek kopen, om iets terug te horen van onze ervaring van de laatste avond in Kyoto. Als we het visitekaartje van onze Okinawa-vriendin laten zien, dat geheel in het Japans is, verbaast het mij dat de kassabediende in staat is de naam op te zoeken in een computersysteem. Bestaat er dan een alfabetisch systeem voor de kanji-karakters? Hoe werkt dat dan? Maar de naam is niet bekend, dus we behelpen ons met een andere CD van hetzelfde genre, gespeeld op een samisen die niet met slangevel is bespannen, maar 'gewoon' met kattevel.
In het theater willen we een ticket voor een kabuki-voorstelling kopen maar helaas zijn er geen uitvoeringen deze week. Dat gaat niet door.
Het centrum van Tokyo is zo groot, dat om van de ene op de andere plek te komen, je af en toe niet de metro neemt, maar ook de diverse treinen die de stad doorkruisen. Wij nemen nu de trein van Ginza naar Shinjuku, aan de andere kant van het centrum, wat ongeveer een half uur duurt. Een half uur met de trein, en je bent nog steeds in het centrum van dezelfde stad!
Het station Shinjuku is het drukste treinstation ter wereld, met twee miljoen passagiers per dag. Bij het uitstappen merk je dat: elke doorgang is vol met mensenmassa's die zich als twee snelstromende rivieren beide kanten uit bewegen. Ongetwijfeld houden wij de stroom een beetje op wanneer wij stilstaan om ons ervan te verzekeren dat we weten welke van de talloze uitgangen we moeten hebben. Maar zodra we dat dan weten, drijven we, zolang we aan de linkerkant van elke corridor blijven, moeiteloos met de stroom mee naar de door ons verlangde uitgang. Ook hier drukt de drukte niet op de stemming van de mensen: niemand is onbeleefd of gestressd, en daardoor wij ook niet. Natuurlijk helpt het ons dat we allebei duidelijk langer zijn dan de gemiddelde Japanner: zo houden we, om bij de eerdere metafoor te blijven, het hoofd boven water zonder het gevoel te hebben te verdinken.
Shinjuku is het echte wolkenkrabber-district van Tokyo. Niet alleen zijn de gebouwen hemelhoog, ze staan ook verder uit elkaar, zodat alles groter lijkt. Wij zijn onderdeel van een stroom mieren die tussen de voeten van de reuzen door krioelen.
Shinjuku, Tokyo
Er is een toren waar je tegen toegangsprijs naar boven kunt om dit van boven te bekijken. Er is echter ook een gebouw waar je gratis een bijna even goed uitzicht hebt. Wij nemen dus in ..... , een gebouw met een driehoekig profiel, de lift naar de 51e verdieping. Je moet zorgen dat je de goede lift pakt: deze lift is speciaal voor de verdiepingen 40 tot 60. Hij schiet als een katapult de eerste 40 verdiepingen voorbij, vertraagt dan, en stopt daar waar mensen dat willen. Op de 51e zijn een café en een restaurant, en een gang met ramen waar je naar buiten kunt kijken. Op deze hoogte ben je het oog van de reus, en staat op gelijke voet met de anderen. De mensen beneden zie je niet eens meer. De auto's zijn de krioelende mieren.
Het binnenste van dit gebouw is hol. Aan deze kant zijn ook ramen, en je kunt enkele verdiepingen onder en boven je de mensen door de gangen zien lopen.
Weer beneden aangekomen zit onder dit holle gedeelte een glazen plafond. Omhoog kijkend zie je een lange driehoekige tunnel met licht aan het eind. Je vergeet even alle gevoel voor richting, het lijkt of je je in een gigantisch ruimteschip bevindt, waar 'boven' en 'onder' geen universele begrippen zijn.
Regelmatig wordt er via een microfoon wat omgeroepen, of wordt één van de mensen achter de lange voedselbar gevraagd hoe lekker datgene is wat ze verkopen. Voor het bier wordt geen reclame gemaakt, dat is niet nodig. Na enkele glazen heb ik met enkele van de dames achter de voedselbar een voor ons gevoel bijzonder gezellig en hilarisch kort gesprek in het Japans, ook al komt het in werkelijkheid neer op niet veel meer dan "wat is dit", "mag ik dat alsjeblieft" en "dankuwel".
Nu weet ik wat bedoeld wordt in de tekst van Far far away van Slade: "All those arigato-smiles stay in your memory for a while". Dat is waar. Hoe meer mensen er zijn, hoe meer je overmand wordt door de massale vriendelijkheid. En de glimlach van alle Japanners, maar met name die van de Japanse vrouwen, blijft hardnekkig hangen, samensmeltend tot één grote glimlach: één van de meest diepe indrukken die aan dit land overhoudt.
We blijven hier niet eten, want we hebben een gratis diner in ons eigen hotel. Enigszins waziger, ook door de duisternis die begint te vallen, begeven wij ons naar het station. Maar de wolkenkrabbers blijven duidelijke oriënterings-objecten, zo groot en stabiel (en, zo neem ik aan, aardbevingsbestendig?), die krijg je zo maar niet aan het wankelen door er dronken naar te kijken.
Terug in het hotel, ietsje ontnuchterd door de treinreis, laten wij ons verwennen door het hotel, met meer bier en een assortiment Japanse heerlijkheden waaronder tempura, en Kobe rundvlees. Dit vlees, in kleine reepjes gesneden zodat het met stokjes te manoevreren valt, is zó zacht en vol kruidige smaak, dat je moeite hebt te geloven dat het rundvlees is.
Hoewel het niet echt laat is, vallen we verzadigd ons bed in. Ik moet morgen trouwens vroeg op.
Ik zit samen met Yasuyuki Maekawa onze sessie voor, afwisselend, omdat we afwisselend hierin ook een presentatie hebben, en je kunt nou eenmaal niet met goed fatsoen jezelf aankondigen. Mijn presentatie gaat prima; ik ben nog benauwd dat het misschien te lang duurt, want waarschijnlijk zal men hier veel preciezer op het tijdschema letten dan in Europa, maar gelukkig praat ik door de zenuwen toch altijd sneller, dus past het prima in de tijd. Ik krijg een hoop vragen uit het publiek, wat overkomt alsof men mij bekritiseert, maar ik weet uit ervaring dat dit feitelijk betekent dat men heeft geluisterd, en er ook nog wat van begrepen heeft.
Onze sessie loopt on-Japans uit, tot 18:30 in plaats van 18:00. Daarna wil Fumiyaki Minematsu, een man van een Japans omroepbedrijf, die vooraf al per email met mij contact had opgenomen, nog met mij praten. Dit willen we gaan doen op de wijn-en-kaas-proeverij, die nu op het conferentieprogramma staat. Echter, die begon al om 18:00 en er is nu niet veel wijn en kaas meer over. Wat lastiger is, is dat wij om 19:00 uur worden verzocht het gebouw te verlaten, want men gaat sluiten. Nu dus weer wel Japanse punctualiteit, maar ook on-Japanse starheid. Dus begeven we ons van de universiteit naar een resturant, samen met Yasuyuki Maekawa, die mij tenslote heeft uitgenodigd hier en aan wie ik dus mijn dankbaarheid moet tonen, en met wie ik bovendien een glas wil drinken op de gezamenlijk voorgezeten sessie.
In het restaurantje komen, zoals ik intussen wel gewend ben, naast bier ook buiten mijn macht om verschillende etenswaren op tafel, waarvan ik geen idee heb wat ze zijn, maar die prima smaken. Het bier laat het gesprek spontaner vloeien en Yasuyuki en Fumiyaki zijn al snel voor mijn gevoel twee goede vrienden.
Ik dacht dat Fumiyaki een zakengesprek had gewild, en ik probeer het onderwerp nog een paar keer terug te sturen op radiocommunicatie, maar hij lijkt het niet erg te vinden dat we uiteindelijk meer praten over de kanji-karakters van het Japanse schrift, hoe ze die op school hebben geleerd, en de betekenis van hun namen.
Fumiyaki moet om 20:00 vertrekken richting Osaka, dus stappen we op. Nog een gelegenheid om mijn waardering te tonen wordt me ontnomen: de rekening is al betaald.
We stappen met z'n drieën in dezelfde metro. Op het station van mijn hotel neem ik afscheid van Fumiyaki en Yasuyuki, die morgen ook niet aanwezig zal zijn (hoef ik me dan niet zo schuldig te voelen over gisteren?). Ik probeer een correcte buiging te maken als afscheid, maar ongetwijfeld ziet het alleen maar lachwekkend uit.
Hanna en ik gaan nog wat eten in een restarant waar we op hoge krukken aan de bar zitten, zodat we niet op onze knieën hoeven zitten. Naast ons zitten een jongen en een meisje van rond de 20 jaar waar we meteen in een levendig gesprek mee zijn, hoewel ze nauwelijks Engels spreken, en wij, nog steeds, nog nauwelijkser Japans. Maar ze helpen ons met het bestellen vanaf de menukaart, die alweer alleen in het Japans is: we bestellen wat zij aanraden en we hebben er geen spijt van.
Met behulp van een woordenboek leggen zij ons uit dat sake gegist is, en sochu gedistilleerd. Hoe die twee dan toch nog bijna hetzelfde kunnen smaken wordt ons niet duidelijk. Maar sochu lijkt meestal lekkerder te zijn -hoewel je misschien heel veel van allebei moet proberen voor je zoiets kunt concluderen-, dus dat wordt onze favoriet, en gaan we als souvenir mee naar huis nemen.
Na één van de laatste presentaties stel ik een vraag, die een domme vraag blijkt te zijn, want ik had een van de slides niet goed begrepen. Of kan dat altijd gebeuren? Om mijzelf toch op de valreep nog een wat beter gevoel te geven stel ik na de allerlaatste presentatie nog een vraag. Waarom is de mate van ontbossing kleiner naarmate het reliëf van een terrein groter is? Dit blijkt toch een heel relevante vraag te zijn. Omdat mensen met een terrein met meer reliëf minder te doen weten, en het eerder laten voor wat het is.
Met een redelijk hersteld eergevoel maar bekaf verlaat ik de conferentiezaal. Vanavond is het buffet-diner van 18:00 tot 20:00, waar ik Hanna ook voor heb ingeschreven, dus ik blijf in de buurt en wacht op haar. Wanneer zij op de universiteit arriveert, blijkt ze niet de geplande fancy cocktailjurk te hebben aangetrokken maar iets praktischers, omdat het zo heet is. Daar ben ik heel blij om, want het diner is ook niets formeels. Aangekomen op de 14e vedieping van het gebouw waar het diner is, blijkt dit niet alleen dezelfde zaal te zijn als het welkomstbuffet van eergisteren, maar ook het eten is precies hetzelfde. Het enige verschil: eergisteren was het gratis, en nu kost het ¥5000.
Waarom is het toch, dat georganiseerde diners op conferenties, hoewel ze altijd veel duurder zijn dan elk willekeurig restaurant waar ik uit eigen beweging heen zou gaan, qua eten toch nooit iets bijzonders zijn, en meestal zelfs minder goed dan de meeste kleine (en goedkope) tentjes waar ik op dezelfde trip ben geweest? Of is het gewoon mijn verwachting, die vanwege de prijs hoog ligt, en daardoor vaak wordt teleurgesteld? Dit is in ieder geval ook de reden dat ik normaal nooit naar dure restaurants ga: veel te veel risico dat de kwaliteit de prijs niet rechtvaardigt.
In dit geval gaat het misschien ook niet zozeer om het eten. Het heeft meer van een receptie, net zo een als eergisteren. Na enkele welkomstpraatjes, waarbij Beijing als locatie van de volgende PIERS-conferentie wordt aangeprezen als bezoekswaardig, valt iedereen aan op de hapjes op de lange tafels, om het betaalde bedrag eruit te halen. Ik moet zeggen dat er wel wat goeds bij zit, vooral de gefrituurde kleine visjes (boquerones?) zijn lekker. Maar veel van de gerechten heb ik niet kunnen proberen omdat ze op zijn voordat ik erbij kan. Gelukkig is er wel genoeg sake en Kirin-bier, zodat het in ieder geval gezellig wordt.
Ik moet zeggen dat het concept van een buffet voor een conferentie-diner wel goed is. Op deze manier kun je praten met wie je wilt, en bent niet gebonden aan de paar personen naast je en tegenover je, waarvan je nooit van te voren weet of ze wel een gesprek van een hele avond waard zijn. Behalve je eigen partner natuurlijk (dit moet erbij om problemen te voorkomen).
Het gesprek vloeit rijkelijk, ik leg velerlei nieuwe contacten, en mijn visitekaartjes vliegen weg. Rond 19:00 wordt er omgeroepen dat het de organisatoren spijt dat het eten voortijdig op is, en er wordt bijbesteld. Het is onderweg. Toch nog een verschil met eergisteren om het verschil in prijs te rechtvaardigen? Even later verschijnen uit de liftdeuren karren vol met eten, zij het van een ander soort: voornamelijk noedels - yakisoba zoals wij nu weten, en dergelijke. Waarschijnlijk is dit een stuk sneller klaar te maken. Hebben ze gewoon even naar de dichtstbijzijnde afhaaljapanner gebeld? Het doet er niet toe; het smaakt mij prima. Maar vooral door de drank, die blijft vloeien, vloeien de contacten ook. Helaas zijn sommigen van de mensen die ik eerder tijdens de conferentie heb ontmoet, niet aanwezig: Yasuyuki Maekawa, Fumiyaki Minematsu en Fumie Costen, maar wel mensen die we nu voor het eerst spreken zijn meteen oude vrienden.
Het buffet-diner op de conferentie
Uiteindelijk wordt de achtbaan overgeslagen, en we gaan direct naar de karaoke-tent. Iets waarin ik normaal geen zin zou hebben, maar het hoort bij de Japanse cultuur, dus misschien moeten we dit maar meemaken.
Het lijkt geenszins op een karaoke-bar zoals we die in Europa kennen. We gaan een gebouw binnen waar we met de groep een kamer huren voor een bepaalde tijd. We zitten aan een tafel en kijken naar een videoscherm. Er zijn een aantal microfoons ter onze beschikking, en een afstandsbediening die eruit ziet als een ruimteschip uit een science-fiction-serie, waarmee we een nummer uit kunnen kiezen. Maar de pinten bier en de hapjes, waaronder peulen sojabonen, blijven aangevoerd worden, waardoor het ons niet zoveel uitmaakt wat er verder gebeurt.
De video's die we samen met de teksten van de nummers voorbij zien komen, hebben niet zo veel met de muziek te maken, maar laten, het doet er niet toe welk britpop-nummer het is, altijd een Japanse jongen en een meisje zien met een probleem in hun relatie.
De meeste andere leden van ons gezelschap brengen niet veel van het zingen terecht, maar op dit moment is het de vraag hoeveel ik er zelf van terecht breng.
De nagespeelde muziek, de inferieure zang, en het bier blijven komen, maar blijven mij niet oneindig lang boeien. Na een tijd ga ik de gang op om te vragen hoe lang we deze kamer eigenlijk hebben gehuurd. Twee uur, waarvan een uur voorbij is. We moeten dit nog even verdragen.
Ik begrijp het niet helemaal. Eventjes is het leuk, maar kun je jezelf een hele avond vermaken voor een tv-scherm en luisterend naar je eigen stem? In Europese kroegen heb je dan tenmiste nog het kroegpubliek, dat meestal uit beleefdheid zal applaudiseren en je je goed over jezelf zal laten voelen. Hier zing je alleen voor jezelf, en voor je gezelschap dat geen andere keus heeft dan naar je te luisteren. Ik kan niet anders concluderen dan dat dit vermaak is voor mensen wier stem écht niemand boeit, om toch een gelegenheid te krijgen te 'stralen' zonder anderen al te veel tot last te zijn.
Na de twee uur is het voorbij en gaan we naar buiten. Wij hadden eigenlijk wel zin gehad om hierna nu écht te gaan ontspannen in een kroeg, maar de groep ontbindt zich, zodat we toch maar de trein nemen naar ons hotel, een Japanse cultuurervaring rijker.
We beginnen in een gebied vol trendy kledingwinkels. Niet omdat ik daar iets wil kopen, maar omdat Hanna, die de stad op dit soort zaken natuurlijk al goed heeft geëxploreerd, mij iets wil laten zien: het fenomeen 'Engrish'.
Hoewel de Japanners niet veel Engels spreken, is die taal wel 'cool' in de mode-industrie. Men vindt het leuk Engelstalige kreten te gebruiken in merknamen, slogans en opschriften. Maar omdat in het Japans de woordvolgorde redelijk vrij is, denkt men dat je Engels op dezelfde manier kunt gebruiken. De kreten bestaan dus uit lekker klinkende maar volkomen onsamenhangende woorden. Lopend door de kleine straatjes langs de trendy kledingwinkels zien we overal de t-shirts vol staan met deze onzinteksten als 'Love love umbrella', en 'Wonderful world is nice peaceful and enjoy sport'. Deze verhaspeling van het Engels wordt door de Engelstaligen 'Engrish' genoemd, naar de Japanse uitspraak van het woord 'English'.
Iets kopen in deze buurt, hoort, hoewel de felle kleuren mij wel bevallen, niet tot de mogelijkheden omdat mijn maat ver buiten het bereik van het aangebodene ligt. Maar hier in de buurt is een bazaar met Japanse produkten, en hier slaan we souvenirs in. Etenskommen en stokjes, een t-shirt, en een schilderij voor mijn ouders.
We lunchen in een Viking-restaurant (door de Japanners meestal uitgesproken als 'biking'). Dit heeft niets te maken met Scandinavisch voedsel, maar betekent alleen een 'eet-zoveel-je-wilt-buffet'. Het gevaar hiervan is natuurlijk altijd dat je teveel eet. Natuurlijk wil ik als Nederlander waar voor mijn geld hebben. Maar het schijnt dat alle Europeanen en Amerikanen hetzelfde probleem hebben.
De Japanners zelf misschien niet; 'veel eten' lijkt in ieder geval niet tot hun cultuur te behoren. Je ziet ook geen dikke mensen op straat. Des te opmerkelijker dan ook de sumo-worstelaars, een zijspoor van een cultuur die voor de rest een heel andere kant uit gaat. Wat eten die lui? Hamburgers? Spek en ei als ontbijt? Je kunt toch moeilijk zo'n figuur houden op sushi en yakisoba.
Hoe dan ook, ik doe mijn best me in te houden in de Vikingtent. Maar dat is heel moeilijk, omdat er zoveel goed uitziende gerechten zijn, die ik allemaal wil proberen. Maar hoewel ik voor mijn gevoel alweer veel te ver ga, is dit een van de weinige keren dat ik een buffetrestaurant niet verlaat met een maag die op springen staat (om precies te zijn: gisteren was de andere keer, maar toen was er dan ook niet genoeg). Dat moet dan toch liggen aan het gebruik van al die soja in plaats van melk en boter. Je wordt er geen sumoworstelaar van, maar je kunt je vol eten en toch dezelfde dag nog rondlopen.
Winkeldistrict in Tokyo
Helaas hebben de muziekinstrumentenwinkels geen traditioneel Japanse instrumenten, hetgeen waar ik naar op zoek ben, dus gaan we maar verder naar Ginza.
Aangekomen in Ginza, het winkeldistrict met de brede straten en dito winkels, valt het ons op dat er iets anders is dan afgelopen woensdag, maar wat? Het is nog steeds heel druk, maar wat voelt er dan zo anders aan? Hee... wacht eens even, er zijn geen auto's! Het blijkt hier autovrije zaterdag te zijn; de mensen lopen kris kras over straat en er zijn terrasjes op de middenstreep van de vierbaans rijweg. Natuurlijk is dit heel prettig, maar zoals gezegd komt het nog net zo druk over; de auto's worden ruim vervangen door de mensenmenigte.
Autovrije dag in Ginza, Tokyo
Even verderop wordt de buurt doorkruist door een verkeersader die niet is afgesloten; hier komen natuurlijk weer agenten aan te pas om beurtelings de auto's en de voetgangers tegen te houden. Dit is niks meer dan een gewone voetgangersoversteekplaats, maar met een vijftig meter brede voetgangersstroom die een drukke achtbaansweg oversteekt, zou het zonder Japanse organisatie en dito geduld zeker een chaos worden.
Ik ga naar de winkel van Yamaha, de bekende gigant in muziekinstrumenten (en niet alleen dat, maar daar gaat het mij nu om). Terwijl Hanna luistert naar een live pianoconcert op de benedenverdieping, ga ik op zoek. Als ze ergens iets traditioneel Japans hebben, is het hier. Ik blijk te moeten concluderen dat ze dat dus nergens hebben. Ondanks vele grote vloeren vol gitaren, violen, blaasinstrumenten en percussie, waaronder traditioneel Zuid-Amerikaans, hebben ze niets traditioneel Japans.
Ik krijg het adres van een winkel waar ze dat wel zouden moeten hebben, en ga op zoek, terwijl Hanna, die het niet meer volhoudt, in een café wat gaat drinken. In een smal steegje achter het kabuki-theater vind ik het winkeltje. Zelfs als je er recht voor staat zie je het nauwelijks. Een ruimte van niet meer dan 3x3 meter, duidelijk onderdeel van de werkplaats van een samisen-bouwer. De rechterwand is helemaal vol met deze instrumenten. De winkelier, ongetwijfeld de bouwer zelf, in stofjas, is aan de telefoon en gebaart mij plaats te nemen op de stoelen aan de linkerkant. Ik kijk rond. De samisens hebben allemaal een wit, dus katte-vel, nergens is de kleurrijke slangehuid te zien. Iets anders dan samisens is hier niet te krijgen. Stiekem op de prijskaartjes kijkend zie ik dat de prijzen weliswaar niet onredelijk hoog liggen, maar wel boven mijn budget van dit moment.
Wanneer de man de telefoon neerlegt en mij te woord staat, blijkt hij geen woord Engels te spreken. Ik red me door introducties en beleefdheidsroutines in mijn gebrekkig Japans, maar hoe leg ik hem beleefd uit dat ik hier eigenlijk niks kom doen? De man glimlacht niet, maar blijft beleefd, en ik denk dat ik me hier uit moet kunnen redden. Ik vraag naar bladmuziek. Dat heeft hij ook, en haalt een boek tevoorschijn dat in een mij onbekend notenschrift is geschreven. Ik herken echter wel de noten en zou dit zeker kunnen ontcijferen, maar is dat de moeite waard? Ik kan net zo goed van een CD muziek opschrijven.
Ik doe mijn best met mijn zeer beperkte woordenschat uit te leggen dat ik nu weet waar de winkel is, en later nog eens iets zal willen kopen. Hij lijkt het bergrepen te hebben, want hij geeft mij een catalogus van samisens, rijk geïllustreerd, en een van muziekboeken, zonder illustraties. Mijn pogingen uit te leggen dat mijn kennis van het Japanse schrift nog beperkter is dan die van de spreektaal komen niet over. Hij blijft mij die bladmuziek-catalogus opdringen waar ik helemaal niet uit wijs raak.
Ik vertrek, met de nodige beleefdheidsroutines en de man bedankend voor de samisen-catalogus, maar de andere catalogus laat ik, ondanks zijn aandringen, liggen. Terwijl ik de deur uit ga gaat de man verder met zijn bezigheden, waarschijnlijk denkend:
"Stomme toerist. Maar ja, hij sprak een paar woorden Japans."
Een observatie als kanttekening. De Japanse samenleving, hoe gemoderniseerd en vooruitstrevend ook, houdt graag vast aan tradities en eigen cultuurelementen, wat te zien is in de voedselcultuur, religie, theater, sport en soms in de klederdracht (zie later). Maar, ondanks een 'revival' van allerlei soorten volksmuziek in de westerse landen, wordt de Japanse volksmuziek alleen nog beoefend door een kleine groep specialisten, hoor je het nergens uit luidsprekers komen, en kun je de muziek en instrumenten alleen krijgen in een klein gespecialiseerd winkeltje in een steeg achter het theater. Dit is niet iets voor de massa in Japan. Misschien komt dat nog? In ieder geval maakt dat het voor mij des te interessanter, en ben ik blij dat we in Kyoto een traditionele muzikant hebben mogen ontmoeten, en privé hebben zien spelen.
We nemen de tein naar station Ichikawa vanwaar we de rivier zouden moeten bereiken. Vanuit de trein zien we al drommen mensen langs de rivier lopen.
Vrouwen in traditionele klederdracht
Aangekomen op Ichikawa is de hele stationshal vol met een mensenzee. Hanna wordt moedeloos, en ik bedenk me dat dit soort situaties in westerse landen meestal tot problemen leidt, maar we zijn hier in Japan. Stapvoets, maar continu bewegend stromen we mee het station uit. Het plein voor het station is nog voller, en hier lijkt het zelfs bijna niet te bewegen. Terwijl ik Hanna nog een keer bemoedigend toespreek, zwemmen we door de menigte in de richting van de straatjes waar de meesten heen gaan. Naar de weg vragen lijkt overbodig. In de straatjes gaat het weer beter, de menigte beweegt en wij drijven voorspoedig met de stroom mee, terwijl de schemering gestaag doorzet en de rode lantaarns van de kroegen om ons heen aan gaan.
Veel vrouwen zijn gekleed in tradionele dracht: een fleurige kimono, een band om het middel met een grote strik op de rug, opgestoken haar, en houten sandalen. Vuurwerk kijken doe je in passende kledij. Het ziet er prachtig uit. Maar door die strakke kimono en die sandalen kunnen ze niet zo hard lopen, zodat wij veel mensen voorbij gaan en een aardige voorsprong opbouwen. Bij een van de vele stalletjes langs de straat met eten en drinken kopen we een paar pilsjes. In de buurt van de rivier gekomen wordt het weer moeilijker. We moeten een drukke weg oversteken -verkeersagenten, nauurlijk- en een 'bottleneck' door: een hele nauwe doorgang die normaal duidelijk niet is bedoeld voor veel mensen om doorheen te lopen. Zo komen we bij de rivier.
Langs de rivier loopt een dijk, die voorzover we in de schemering kunnen zien kilometers ver in beide richtingen helemaal vol zit met mensen. De ruimte vóór de dijk is bezaaid met een krioelende massa mensen die allemaal een plekje op de dijk proberen te vinden, want daar kun je het vuurwerk het beste zien. Wij werken ons zo goed als dat gaat naar de top van de dijk, en stranden bovenaan de helling.
Op deze helling zit niemand, om de simpele reden dat je je zonder krampachtige spierinspanningen niet stabiel op één plek kunt houden. Bovenop de dijk hebben velen een kleed uitgespreid en zijn aan het picknicken. Jongeren, ouderen, kinderen, hele families zijn erbij. Wij gaan oncomfortabel bovenaan de helling zitten, in de hoop dat we mettertijd nog wat op kunnen schuiven nar de top. Het is nu helemaal donker geworden. Hanna kijkt gedeprimeerd naar de doorgang waar we net vandaan komen. In het schijnsel van de straatlantaarns blijft daar een onophoudelijke dikke stroom mensen uit komen, evenals uit alle andere doorgangen in de buurt. Elke vierkante centimeter waar iemand kan staan, zo ver als we kunnen zien, is bezet met mensen. En ze blijven komen.
Hanna zucht: "Ik heb nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien."
Ik merk op: "Dat kan... het zou nog best eens kunnen dat er hier meer mensen zijn dan er in heel Finland wonen!"
Langs ons heen proberen nog regelmatig mensen, vooral buitenlanders, de dijk op de komen om zich in de paar centimeters tussen de picknickende gezinnen te wurmen. Daar zijn wij te welgemanierd voor. Maar, ook al zitten wij moeilijk, de sfeer is gezellig, en met een pilsje in de hand wachten we op het vuurwerk dat zometeen moet beginnen aan de andere kant van de rivier, waarvoor we dus flink onze nek zullen moeten verdraaien om het te zien, maar we hebben tenminste een plekje.
Mensen die de dijk langs de Edogawa op proberen te komen, om het vuurwerk te zien (Tokyo)
Klokslag 19:15 vindt aan de overkant van de rivier een explosie plaats, die vijf kwartier zal gaan duren. Een overweldigende kaleidoscoop van kleuren en vormen, begeleid door vertraagde, maar daardoor niet minder effectieve, knallen. Fonteinen van licht, en kwasten van vuur die tot de verbeeding sprekende schilderijen in de lucht maken. Af en toe houdt het op de ene plek op, en begint het een paar honderd meter verderop meteen met een volgende acte, zodat men op de eerste plek zijn geschut kan herladen.
Soms hebben de vuurpijlen duidelijk grafische voorstellingen, zoals een lachend gezicht. Zoiets heb ik nog nooit gezien. Ik moet af en toe Hanna aanstoten dat ze nog oplet, want die heeft vaak meer aandacht voor de mensenmenigte. Want ook tijdens het evenement blijft er een ononderbroken brede mensenstroom nog steeds deze kant uit komen.
Tegen het eind van het programma zijn er intussen mensen die al vertrekken, en wij kunnen eindelijk opschuiven naar de top van de dijk, naar een comfortabele zitplek.
Het spektakel aan de overkant van de rivier houdt op met een grote knal. Kleine kinderen, die in begin een beetje bang waren, staan nu enthousiast te juichen.
Als we opstaan om op weg te gaan terug naar het station, is de mensenstroom in de doorgang waar we doorgekomen zijn nog net zo breed, maar is van richting omgedraaid. Toch ook nu weer komen we er soepel door, door gewoon ons erbij te voegen. In Europa geldt een natuurwet, dat hoe meer mensen je door een doorgang probeert te krijgen, hoe minder er door komen. Dat gaat hier niet op.
Door de straten van dit buitenwijkcentrum, naar het station. Op het stationsplein staat het -verrassing, verrassing- stampvol met mensen. Op de trappen van de ingang van het station staan agenten die de mensen tegenhouden naar binnen te gaan, om begrijpelijke redenen. Niemand probeert dan ook hiertegen te protesteren. Geen Nederlands-achtig gezeur van 'ja maar ik moet deze trein halen!' Wanneer ze hun geïmproviseerde barrière opengoooien, komen wij, ook al stonden we aan het begin van het plein, ook het station in. Ook binnen is het stampvol; het is handig te weten welke trein je moet hebben, voor je naar de perrons toe zwemt.
Op het perron stappen we in de trein, en tot onze grote verbazing hebben we hier de ruimte. Zou er niet zoveel belangstelling zijn voor deze trein naar het centrum van Tokyo? (Yeah, right.) Of hebben de stationswachten het zo gedoseerd dat wij comfortabel in de trein kunnen staan (zitten is te veel gevraagd)? Op het volgende station blijkt wat er aan de hand is. Dit is aan de andere kant van de rivier, en hier komen nog minstens net zoveel mensen van hun vuurwerkervaring terug. Na dit station zitten we toch nog als sardines in een blik. Maar dat maakt niet uit, zo opgelucht zijn we dat we zonder oponthoud van betekenis weer de trein terug kunnen nemen.
Na het grote aantal enerverende ervaringen van vandaag uitwendig fysiek verwerkt te hebben door middel van een verfrissende douche in het hotel, gaan we nog wat eten.
We gaan naar een restaurant op een kelderverdieping, waarvan het onmogelijk is in te schatten hoe groot het is. Vol met hoekjes, doorgangen alle kanten uit, en spiegels, om je nog meer in de war te brengen. Het kan goed zijn dat dit zich uitstrekt onder het hele stratenblok, of nog meer. Maar wij zien alleen onze tafel en twee tafels naast ons.
Dat het eten, van een fotomenukaart besteld ("doe maar dat, en dat, en dat") prima is, is al geen bijzonderheid meer. En de okonomiyaki is minder bijzonder dan die in de rode lantaarn in Beppu. Omdat alles weer bijna niks kost, vergrijpen we ons als toetje weer aan cocktails, met het amusante gokspelletje van het uitzoeken puur op de kleur, en hopen dat het ensigszins smaakt zoals je verwacht.
Doordat we een kortere metroroute ontdekken zijn we te vroeg op het station. Dat is dus deze keer eens niet aan Hanna's planning te wijten. Mensen kijken met een kop koffie is altijd leuk op station Tokyo.
Buiten gekomen bij station Osaka hebben we moeite ons te oriënteren. We hebben een uitgeprinte kaart van de route naar het hotel, maar hoe moeten we hem houden? We zien voor ons brede wegen met veel verkeer, en voetgangersoversteekplaatsen, -bruggen en -tunnels, met -alweer- heel veel mensen. Niets lijkt op wat de kaart aangeeft (of alles lijkt er evenveel op) en natuurlijk hebben we aan de straatnamen ook weer niets.
Nadat we via een tunnel een brede weg hebben overgestoken, in een goed uitziende richting, komen we erachter dat we precies de andere kant op moeten.
Is het omdat we nu weer zuidelijker zitten, dat het weer duidelijk veel warmer weer is? In ieder geval geen ideaal weer voor het sjouwen van een te zware rugzak via een omweg naar je hotel. In hotel 'Kinki' laat de receptionist ons even wachten, maar ik kan me daar niet druk om maken. In de lobby is namelijk een zitbank en een drankautomaat met bier. Onderuitzakkend met een pilsje, en met mijn rugzak van mijn rug af, ben ik helemaal gelukkig. Laat de receptionist ons nog maar lekker lang laten wachten.
Te snel heeft hij tijd voor ons, en wij checken in in onze kamers, - geen Japanse stijl deze keer, wel jammer voor de laatste nacht. Erg kinky is het ook niet, voor wie dat mocht denken. Als we aan de receptionist de weg naar het centrum vragen wil hij weten wat wij gaan doen. Het is de laatste dag, dus: shoppen; we hebben intussen wel genoeg tempels, shrines en pagodes gezien, zo denken we. Hij wijst ons dus naar de buurten met de meeste winkels. Ik weet niet of dit slim is geweest.
Als we bezienswaardigheden waren gaan bekijken hadden we misschien een beetje een positieve indruk van de schoonheid van deze stad kunnen hebben. Misschien; ik weet het niet. In ieder geval is voorzover we zien, Osaka een stad om te bezoeken met je ogen en oren dicht. Grote lelijke gebouwen, vol met winkels. Nergens de stijl, historie of schoonheid die we in andere steden hebben gezien. En vol met mensen, vooral jongeren die zich 's middags al voorbereiden op een zeer luidruchtige avond.
Begrijp me niet verkeerd; dit ging alleen over het straatbeeld. We hebben wel geluncht in een stijlvol café met het thema 'dans', met kunstwerken aan de muur die verschillende dansen uitbeelden.
In een buurt vol met speelhallen loop ik onderzoekend een pachinko-hal binnen. Zie Will Ferguson. In een oorverdovende herrie zitten tientallen mensen afzonderlijk voor de pachinko-automaten die in lange rijen staan opgesteld. De pachinko is een soort verticale flipperkast, waar men metalen balletjes doorheen schiet, die ergens terecht moeten komen om punten te scoren. Ieder is geconcentreerd op zijn eigen spel. Ik vraag mij af wat de betovering is die mensen urenlang dit simpele spel kan laten spelen. Ik zou het kunnen uitproberen, maar ik heb sterk het vermoeden dat het mij zou gaan vervelen voordat de betovering inzet. Misschien zou dat ook juist goed zijn... In ieder geval trekt het mij niet aan, en ik ga weer naar buiten, waar Hanna staat te wachten, die vanwege het geluidsniveau de hele tent niet indurfde.
Natuurlijk is het voor mij niet zo bijzonder dat dit spel me niet trekt, want ik ben geen gokker. Ik kan mij er tenslotte ook op beroemen dat ik in 2000 twee dagen in Las Vegas heb doorgebracht, zonder één cent te vergokken. Toch wel een prestatie, nietwaar? Ik heb mij toen verzadigd van het goedkope eten en dito drank, en genoten van al de gratis shows en muziek die overal continu doorlopen. En ik heb geamuseerd gekeken naar al die mensen die datgene doen waarvoor men naar Las Vegas gaat. Al die mensen waar Las Vegas van leeft, die al die luxe en pracht en praal feitelijk betalen. Ik zag mezelf als één van de winnaars van dit spel. Maar dit terzijde. (Overigens kwam ik niet daarvoor naar Las Vegas, maar voor de Grand Canyon.)
In een kroeg laat ik me als aperitief verrassen door welke soort sochu de bardame mij voorschotelt.
Wij staan bij een balie met produkten die op ingemaakte groenten lijken, en zoeken naar pruimen in het zuur. Na een heleboel kanji op goed geluk maar tevergeefs met ons Japan-boek te hebben vergeleken, val ik toch maar weer terug op de beproefde en succesvolle methode: vragen. Ik weet immers te zeggen: "Heeft u...". De verkoopster weet het niet precies, en ander personeel wordt erbij gehaald. Uiteindelijk neemt een verkoopster ons op sleeptouw naar een andere balie, honderden meters verderop (ik overdrijf een beetje) die geheel aan pruimen in het zuur is gewijd. Allerhande soorten. Natuurlijk, hoe hadden we eraan kunnen twijfelen! We mogen proeven, en kunnen nu gewoon wijzen naar wat ons het best bevalt.
We willen ook nog wel een fles sochu. Nu maar meteen vragen, want de drankenafdeling is wel zo gevonden, maar voor ik heb uitgevogeld welke van deze mooie kanji-etiketten 'sochu' zegt en geen 'sake' of iets anders, kan er veel tijd verloren gaan. Het blijkt dat in de immense drankenafdeling tientallen meters aan sochu zijn gewijd.
"Wat voor sochu wilt u?" vraagt de enthousiaste dame, "deze hier zijn van rijst, die daar van gerst, daar van abrikozen, rogge, aardappelen." (In werkelijkheid ging er wat tijd zitten in het ontcijferen van deze uitleg in het Japans, maar met een woordenboek lukte het.)
Nu dacht ik dat ik wist wat ik wilde, maar sta toch weer voor een moeilijke keus. Maar gelukkig moegen we ook hier proeven. Zo toerist-onvriendelijk is het hier nou ook weer niet.
Qua restaurants lijkt deze stad niet veel bijzonders te bieden. Maar we vinden een klein tentje, dat een steengrillrestaurant blijkt te zijn. Midden in de tafels, en op regelmatige plaatsen in de bar (waar wij zitten) zitten grote natuurstenen die met gloeiende kolen heet worden gehouden. Wij bestellen verschillende soorten vis, paddestoelen en schaaldieren. De serveerster achter de bar legt voor ons de etenswaren op de steen, waarschijnlijk omdat ze vermoedt dat wij stomme buitenlanders niet weten hoe dat moet. Zij weet in ieder geval goed welke sauzen en groenten waarbij passen, dus we laten ons maar verwennen. Deze ogenschijnlijk zo stijlloze stad blijkt toch nog aangename verrassingen te bieden.
Hoewel een okonomiyaki mij erg lekker lijkt, zit ik nog vol van het diner en lijkt me dat dus niet verstandig. Voorzichtig vraag ik of alleen een pilsje drinken ook mogelijk is. Omdat ik zo'n ingewikkelde vraag niet in het Japans kan, en de kok geen Engels spreekt, staat een aan de bar zittende dame me bij: ja hoor, dat kan wel. De kok blijkt niet zo onvriendelijk als op het eerste gezicht, en serveert mij een Kirin-pils. Het ijs is gebroken.
De dame wil alles van mij weten, vooral waar ik vandaan kom en wat ik van Japan vind. Ze helpt me nog iets meer van de katakana, het Japanse fonetische schrift, te leren. Ik merk dat als je dat kent, er een wereld voor je opengaat. Wat moet dat handig zijn, om woorden die je hoort in geschreven tekst terug te herkennen!
Haar vrienden vinden een oud, niet meer geldig Japans bankbiljet van ¥1000 in hun portemonnee, en geven dat als souvenir aan mij.
Ik vertrek uiteindelijk met het gevoel dat deze kroeg in een uur tijd, van vreemd, potentiëel gevaarlijk, gebied, tot mijn stamkroeg is geworden.
Teruggaande naar onze hotelkamer houd ik rekening ermee dat Hanna mij op het hart heeft gedrukt stil te zijn, en haar niet wakker te maken. Ik heb mijn zaklantaarn in de hand, om het grote licht niet aan te hoeven doen. Zo stil mogelijk open ik de deur en doe enkele stappen richting mijn bed. Totdat ik merk... dat het grote licht aan is, want ze zit nog te lezen. Daar gaan mijn goede intenties...
Daar wordt het nog even ingewikkeld. Het is niet direct duidelijk welke trein we het beste kunnen nemen; er zijn verschillende mogelijkheden. Daarbij is onze Japan Rail Pass niet meer geldig, dus we moeten een ticket kopen, en is het nog niet zo eenvoudig waar we dat moeten doen. Osaka station is ook van binnen een labyrinth, met lange gangen waarbij je vaak niet weet of je nog wel op het station bent of in een ondergronds winkelcentrum. Hanna is daarbij bang dat we de trein missen. Volgens mij is er niets aan de hand omdat we toch veel vroeger dan nodig zijn vertrokken, maar volgens haar zijn we al aan de late kant. Het eeuwige wrijvingspunt tussen ons als we op reis zijn.
We halen de trein, en sporen tussen mensenmassa's -geen kans op een zitplaats- naar Tennoji, en vandaar naar Kansai. De oneindige aaneenschakeling van huizen maakt plotseling plaats voor de zee. Over de lange brug zien we Japan naar de horizon verdwijnen, terwijl we naar het kunstmatige eiland van Kansai Airport rollen.
In het vliegtuig hebben we dit keer geen businessclass. Maar we zijn zo moe dat we daar ons niet druk om maken. We slapen toch wel.